woensdag 18 maart 2020

Meer dan 'de curve platslaan' - 11 dingen die je als beleidsmaker zou moeten weten bij een epidemie

(illustratie: uit Wired, https://www.wired.com/story/whats-social-distancing-flattening-curve-covid-19-questions/)

Sommige mensen beweren dat politici maar één ding tegelijkertijd in hun hoofd kunnen houden, gewoonlijk hun herverkiezing. Gelukkig dat Nederlandse leiders op dit moment aan twee dingen lijken te denken: 'flatten the curve' en 'groepsimmuniteit'. Wat goed is uit te leggen voor de mensen die het begrijpen. Maar gezien een recente artikelen als 'Waarom is het 'goed' dat gezonde mensen het coronavirus krijgen?') zijn dat niet de enige dingen waar misverstanden over bestaan.

1) Wat is 'flatten the curve'?
Epidemieën verspreiden zich doorgaans door mens-op-mens-contact - zowel het aantal contacten als het soort contact (de kans dat het virus of de bacterie overspringt). Deze dingen, samen met kenmerken van het virus of de bacterie zelf (ik zal het voortaan gewoon over een virus hebben, dat is momenteel relevanter, al geldt het ook voor bacteriën) zorgen voor de 'R0': hoeveel mensen een patiënt gemiddeld besmet. Als je zorgt dat mensen in een bepaalde tijdsperiode minder andere mensen tegenkomen (bijvoorbeeld door ze thuis te laten werken) of een kleinere kans laten hebben om het virus over te dragen (bijvoorbeeld door geen handen te schudden en op anderhalve meter afstand te blijven staan), zorg je ervoor dat de gemiddelde patiënt minder mensen besmet (de R0 wordt kleiner). Dat betekent dat de hoeveelheid patiënten langzamer toeneemt, zodat bestaande patiënten de tijd krijgen om beter te worden of dood te gaan zodat de ziekenhuisbedden weer vrij komen voor de nieuwe patiënten, in plaats van dat er elke dag zoveel nieuwe patiënten bijkomen dat de ziekenhuizen overvol raken.

2) Wat is groepsimmuniteit?
Groepsimmuniteit betekent dat de situatie in een maatschappij zo is dat elke patiënt gemiddeld 1 andere gezonde persoon aansteekt, of minder. Normaal wordt dat bereikt door mensen te vaccineren en daarmee immuun te maken voor een ziekteverwekker. Als mensen totaal willekeurige contacten hebben kan het altijd gebeuren dat een persoon die niet immuun is de ziekte oploopt door een toevallig contact en ziek wordt en zelfs doodgaat, maar zolang alle andere mensen in de omgeving van die persoon immuun zijn voor de vaccinatie zal het bij die ene persoon blijven en geen epidemie worden die het gezondheidssysteem overbelast.

Op zich lijkt het Nederlands beleid dus perfect: we maken eerst de curve plat zodat ons gezondheidssysteem de corona-epidemie aankan en alle patiënten voldoende hulp kan geven, en dan mikken we op groepsimmuniteit zodat we ons daarna nooit meer zorgen hoeven te maken over het coronavirus. Natuurlijk kunnen mensen van de WHO zeuren dat dat geen goed plan is, en zal het betekenen dat tienduizenden zoniet honderdduizenden Nederlanders voortijdig zullen overlijden, maar is er een alternatief? Zijn er andere factoren waar je rekening mee moet houden?

Een paar.

Punt 3: Geld is iets waard, maar mensenlevens ook. Sommige mensen zouden zelfs zeggen dat geld niets waard is voor mensen die te dood zijn om het uit te geven. Of zelfs dat geld een middel is om (goed) mee te leven, maar nooit leven kan vervangen.

Maar zakelijker: veel beleidsmakers rekenen in moeilijke situatie met QALYs, 'Quality Adjusted Life Years'. Wat dat betekent: als een bepaald vaccin 10 mensen van 70 jaar die anders gestorven zouden zijn nog 10 goede jaren zou geven, levert dat 100 QALYs op, en  in Nederland beschouwen we normaal een maatregel als kosteneffectief als hij 20,000 euro (of minder) per QALY kost.

Waarom je QALYs nodig hebt: wel, je hebt als maatschappij geen oneindige hoeveelheid geld, en als er behandelingen voor ziekten zijn die miljoenen per persoon per jaar kosten - dat kan het budget opmaken voor andere ziektes, scholen, huizenbouw, wegen, enzovoorts. Met QALYs kun je beslissen op basis van: ik heb zoveel geld voor de zorg: hoe kan ik er het meeste goeds mee bereiken?

Dus als een 70-jarige die normaal nog 15 jaar zou leven een 5%-sterfkans heeft door COVID-19, zou een maatregel die 15000 euro of minder kost acceptabel zijn (mogelijk minder, aannemende dat een 70-jarige of 80-jarige geen 100% kwaliteit van leven heeft).

Op dit moment heeft het kabinet nog niet echt duidelijk gemaakt in hoeverre de kosten van bijvoorbeeld een 'shutdown' hoger zijn dan de kosten in QALYs van een economie. Het is nu bijna alsof mensenlevens in Nederland niets (of in elk geval heel weinig) waard zijn.

Maar hoe dan ook, een shutdown of andere maatregelen (zoals drive-through testen zoals Singapore doet, of het traceren van contacten van iemand met een app, zoals Israël lijkt te doen) KUNNEN de moeite waard zijn, zelfs de meest harteloze econoom zou dat berekenen op basis van hun kosten versus hun geschatte waarde. En ik weet niet hoe de Nederlandse regering of RIVM die waarde schat. En dan nog heb je een paar problemen waarvan het onduidelijk is of die in de modelberekeningen zijn meegenomen:

Punt 4: Leugens, grove leugens en (Chinese) statistieken. Op dit moment lijkt de Nederlandse regering er vanuit te gaan dat het percentage doden van Covid-19 rond de 3.4% ligt en waarschijnlijk lager ligt omdat lichte gevallen meestal niet getest worden. Het grote probleem is dat de statistieken uit China mogelijk zo niet zeer waarschijnlijk vervalst zijn ; en kijkend naar een land als Zuid-Korea dat wel uitgebreid test lijkt het erop dat het percentage mensen dat doodgaat door de ziekte boven de 5% is. Er is dus wel wat onzekerheid, en een factor van 1.5 in het aantal mensen dat doodgaat: dat is een onzekerheid die een flinke invloed zou moeten hebben op de afwegingen van een regering.

Punt 5: het 'landmijn'-effect. Sommige mensen denken dat landmijnen dienen om vijandelijke soldaten te doden. Misschien dat dat vroeger het geval was, maar moderne landmijnen zijn slimmer gemaakt: ze doden een soldaat niet, maar maken hem of haar gewond (en liefst gehandicapt). Waarom? Omdat een dode gewoon begraven wordt, maar een gewonde moet verzorgd worden door andere mensen en kan niet meer meevechten; een soldaat doden zorgt dat het vijandelijke leger maar 1 soldaat minder heeft, een soldaat verwonden kan ervoor zorgen dat het vijandelijke leger 2 of 3 soldaten minder heeft, omdat de anderen de gewonde moeten verzorgen (en dus niet kunnen meevechten) of er eten voor moeten verbouwen (en dus ook niet kunnen meevechten). Net zo moet je oppassen bij ziektes: het is te simpel te denken dat mensen of doodgaan of beter worden; wat als een significant deel van de mensen die beter wordt er orgaanschade of een andere handicap aan overhoudt? Bij COVID-19 lijken er zulke zij-effecten te (kunnen) zijn . Dat kan zowel zorgen voor extra verkorting van leven (en verminderde kwaliteit) als voor jarenlang hogere economische lasten omdat de nu beschadigde persoon meer zorg nodig heeft, wat ook duur kan zijn. De kosten van een epidemie kunnen dus groter zijn dan het aantal doden.

Kortom: heeft het kabinet echt een idee van de daadwerkelijke kosten in mensenlevens en economische schade? Dat ze geen precies idee kunnen hebben omdat de epidemie nog maar zo kort bestaat in landen met een transparent rapportagesysteem is op zich begrijpelijk, maar dan zou ik zelf eerder aan de voorzichtige kant blijven...

Punt 6: het kruidnagel-effect: 'de curve platslaan' is best lastig en moet je vroeg genoeg beginnen.

Een van de grootste blunders die de Verenigde Oostindische Compagnie beging was dat ze in hun hebberigheid zoveel mogelijk winst te halen uit hun monopolie in kruidnagelen, verbouwd in de Molukken, ze vaak de opdracht gaven om kruidnagelbomen te kappen. Minder voorraad, hogere prijzen, meer winst.

Het probleem was echter dat als de prijs van kruidnagelen onaantrekkelijk laag dreigde te worden, en de order werd gegeven dat de bomen gekapt moesten worden, het meer dan een jaar duurde voordat dat bericht aankwam in de Molukken; dan werden de bomen gekapt. Als dan een jaar of twee later de VoC weer MEER kruidnagelen wilde, hadden ze pech: het koste een jaar om het bericht te sturen, en dan nog een jaar of zes om de bomen te planten en zo te laten groeien dat ze weer kruidnagelen konden leveren.

De moraal van het verhaal: een beslissing of actie heeft vaak pas veel later uitwerking dan je denkt of hoopt.

En dat is ook zo bij het coronavirus.

Kijk bijvoorbeeld naar Italië. Italië zit sinds 9 maart op slot. Op dat moment hadden ze 9172 gevallen, ofwel 151 patiënten per miljoen inwoners. Nu, 9 dagen later, zijn er 35,713 gevallen, oftewel 3.9 keer zoveel. Vermoedelijk voor een deel omdat zelfs als de lockdown perfect zou werken, er nog altijd meer gevallen zouden komen wegen de incubatietijd van COVID-19. Erger, de groei in Italië lijkt nog niet te stoppen.

Stel dat het kabinet vandaag of morgen of volgende week vindt dat het medisch personeel wel enigszins zwaar belast begint te worden en dan een lockdown inzet. Dan is de vraag: als er dan nog 3.8x zoveel patiënten bijkomen, en mogelijk meer, kan de gezondheidszorg dat aan? Er zijn nu al akelige verrassingen (bijvoorbeeld dat de Duitsers ons geen maskers kunnen leveren) bij het huidige aantal coronapatiënten; zijn we er echt zeker van dat we de zaak zo goed onder controle hebben dat we ons kunnen veroorloven 4x zoveel patiënten te hebben? Het lijkt me beter eerst zo hard mogelijk op de rem te trappen en eerst de situatie onder controle te krijgen (dwz: per dag evenveel patiënten erbij als er ontslagen worden), want als we pas maatregelen gaan nemen als de situatie ernstiger is, is de kans veel groter dat alles totaal uit de hand zal lopen.

Punt 7: wat de curve-platslaan-grafieken niet laten zien is dat de capaciteit van onze ziekenhuizen ook af zal nemen omdat er artsen en verpleegkundigen besmet worden en zelf zorg nodig hebben of overlijden; en we kunnen waarschijnlijk niet sneller mensen trainen dan ze ziek worden of doodgaan; we moeten dus onze zorgcapaciteit zeker conservatief inschatten.


Punt 8: "We moeten mensen opofferen want een lockdown houden we niet een jaar vol"

Het argument hierbij is dat het nog minstens een jaar zal duren voordat er een vaccin is, en we kunnen Nederland niet een jaar compleet plat leggen.

Het argument klinkt overtuigend, al zou iemand die het nieuws volgt mogelijk zeggen dat er al vaccins in ontwikkeling zijn, en tenminste 1 al getest wordt, dus - als regeringen en wetenschappers dingen eerder goedkeuren en de risicos van COVID afwegen tegen het vaccin we iets zouden kunnen hebben dat voor een jaar klaar is.

Maar een belangrijker punt is: virussen kunnen ook bestreden worden met andere middelen dan vaccins. Kijk bijvoorbeeld naar HIV, dat AIDS veroorzaakt: daar is nog geen vaccin voor, maar geïnfecteerden kunnen wel behandeld worden, zo goed zelfs dat ze een vrijwel normale levensverwachting hebben, in tegenstelling tot 20 jaar terug. Het zou goed kunnen dat bepaalde HIV-medicatie helpt in ernstige gevallen, en het testen en uitrollen van een bestaand (en dus al op veiligheid uitgetest) geneesmiddel kan veel sneller gaan dan het ontwikkelen en op veiligheid testen van een vaccin. Ook over choroquine worden dingen geschreven, en er zijn ook mogelijk middelen die niet het virus zelf bestrijden maar de schade die het in het lichaam veroorzaakt beperken. Dus mogelijk hoeven we niet alles een jaar op slot te doen, maar slechts een half jaar of drie maanden. Optimistisch? Maar laten we wel wezen: als we over drie maanden nog steeds geen betere behandeling hebben van COVID kunnen we de strijd alsnog opgeven een lockdown uitzetten. Het zou veel erger zijn als we de komende twee of drie maanden honderdduizenden mensen laten doodgaan om 'groepsimmuniteit' op te bouwen, en dan blijkt dat het merendeel van die doden overbodig was omdat je COVID kunt behandelen.


Factor 4: groepsimmuniteit is een verradelijk onderwerp.

Punt 9: Allereerst is groepsimmuniteit gebaseerd op het idee dat iemand die een besmetting overleeft, er daarna (levenslang) immuun voor is. Soms werkt dat zo (bij bijvoorbeeld mazelen), maar bij andere ziektes werkt het niet zo; voor verkoudheidsvirussen ben je normaal maar een maand of 3 immuun, griep muteert elk jaar... Er zijn al mensen die 2x opgenomen zijn wegens COVID-19. Waren ze te vroeg uit het ziekenhuis ontslagen? Waren het pechvogels met zwakke immuunsystemen? Het zou leuk zijn als COVID-19 immuniteit 100% en voor eeuwig is. Maar als de immuunrespons zwakker is en tijdelijk dan krijg je continu grote en kleine uitbraken, en heb je geen 'groepsimmuniteit' maar continue ellende.

Punt 10: groepsimmuniteit werkt het beste als mensen willekeurig mengen. Het probleem is dat als we bejaarden 'opsluiten' en hopen dat de 70% van de rest van de bevolking allemaal het virus krijgt, een enkel persoon die toevallig besmettelijk is en meegaat met een uitstapje van een bejaardentehuis voor tientallen nieuwe patiënten kan zorgen. Je krijgt kwetsbare eilandjes, die 'wachten op een lokale epidemie'. Je ziet het al met mazelen. Als je op groepsimmuniteit mikt, moeten ouderen en mensen met gezondheidsklachten worden 'opgesloten' tot er een vaccin of betere behandeling is. Wat kan werken, maar ja...

Punt 11: Tenslotte: groepsimmuniteit is een combinatie van virus en maatschappij.

Als Merkel zegt dat 70% van de Duitse bevolking besmet zal worden, bedoelt ze dat epidemiologen op dit moment denken dat de R0 van het coronavirus rond de 3.28 ligt, oftewel dat de gemiddelde patiënt 3.28 anderen besmet.

Echter, het is misleidend te spreken over de R0 of het 'reproductiegetal' van een virus. Als je wikipedia goed leest: "Het basaal reproductiegetal (R0) van een infectieziekte is het gemiddeld aantal secundaire besmettingen die veroorzaakt worden door een primair geval in een bevolking zonder immuniteit en in afwezigheid van profylactische maatregelen.". Let vooral op het laatste deel 'in afwezigheid van profylactische maatregelen'.

Waarom is dat belangrijk? Omdat dat betekent dat als je profylactische maatregelen neemt, het basaal reproductiegetal afneemt. Dus als:
1) je geen handen meer schudt maar elkaar op andere manieren begroet (zoals met een buiging) zal de R0 afnemen.
2) Je bij elk openbaar gebouw en restaurant handschoonmaakmiddel neerzet, R0 zal afnemen.
3) Je bij elk openbaar gebouw en bedrijf de temperatuur van een bezoeker opmeet (en daarmee kan zien of iemand ziek is) R0 zal afnemen
4) Als je willekeurige mensen (in bijvoorbeeld 'drive-throughs') test op het virus, je mensen eerder in quarantaine zal plaatsen, waarmee R0 zal afnemen
5) Als je wedstrijden met publiek aflast, zal R0 afnemen
6) Als iedereen elke dag zijn temperatuur opneemt en zelf-isoleert bij koorts, zal R0 afnemen...

Kortom: als we als maatschappij het komende jaar dingen anders doen dan vroeger, zal R0 afnemen, en krijgen we groepsimmuniteit bij minder dan 70%. En al lukt het 'slechts' om die immuniteit bij 50% of 40% of 30% te krijgen, dan nog kan dat vele duizenden doden schelen.



De vraag voor de Nederlandse regering - en het Nederlandse volk- is dan ook: als we boffen en we dit coronavirus onder controle krijgen en erin slagen de curve 'plat te slaan' (wat nog zeer onzeker is) - welke maatschappelijke maatregelen willen en kunnen we nemen die het minste kosten en het meeste opleveren in gewonnen levensjaren, tenminste tot een vaccin of betere behandeling voor COVID-19 ontwikkeld is? Laten we niet voor de 70% gaan. Want, hoewel zoals ze zeggen de 'duivel in de details is', is 'in afwezigheid van profylactische maatregelen." een engel in een detail, die duizenden mensen het leven kan schelen. En als Zuid-Korea, Taiwan, Singapore, Hong-Kong en zelfs China 21e eeuwse kennis toepassen om die reddende bijzin te gebruiken, waarom zouden wij in Nederland dat niet kunnen?











dinsdag 17 maart 2020

Moet echt 70% van de bevolking ziek worden? Het complexere verhaal achter de 'nette wiskunde' van COVID-19 biedt hoop...


Ik heb in geen jaren in dit blog geschreven, wegens banen en mijn groeiende focus op wetenschapstalent. Maar in de huidige tijden, waarbij de minister-president ons volk voor het eerst sinds 47 jaar speciaal toespreekt, en waarbij de veranderingen in de maatschappij groter zijn dan van wanneer ook in Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog 75 jaar geleden, blijkt weer het belang van wetenschap, en dat iedereen, zowel politici als de media als normale mensen, het begrijpt.

En het getal van 70% - ik durf nog niet te zeggen dat Rutte of Merkel of Boris Johnson de wetenschap niet begrijpen, maar het verhaal is zeker iets complexer dan dat. En dat moet het ook wel zijn, omdat bijvoorbeeld in Zuid-Korea het virus zich lijkt te stabiliseren terwijl daar slechts 0.16% van de bevolking is aangestoken, wat veel minder is dan 70%. Nu kan ik me voorstellen dat mensen niet geloven wat de regering van China zegt, en Japan heeft ook redenen (de Olympische spelen) om COVID-19 niet al te ijverig te meten; maar Taiwan, Hongkong, Singapore en ook Zuid-Korea lijken een heel ander - en milder- traject te ondergaan dan Italië, Iran, of Spanje. Hoe komt dat, als het virus waarschijnlijk overal ongeveer hetzelfde is?

Om die vraag te beantwoorden is het handig terug te gaan naar de basisvraag. Waarom veroorzaakt een virus eigenlijk een pandemie? Simpelweg omdat iedere patiënt gemiddeld meer dan 1 ander persoon aansteekt. Persoon 1 wordt geïnfecteerd, steekt personen 2 en 3 aan, 2 steekt weer 4 en 5 aan, 3 steekt 6 en 7 aan.

Wat we overigens niet moeten vergeten in dit model is niet alleen deze eenvoudige toename, maar ook de tijdsschaal. Als we op basis van virologische data aannemen dat het virus is ontstaan ergens tussen begin en midden november 2019 zijn er ongeveer 130 dagen verstreken sinds patiënt 1. We hebben nu 182,725 gevallen, wat neerkomt op 17,47 verdubbelingsperioden. Maar omdat elke COVID-19 gemiddeld (een belangrijk woord! Ik kom er later op terug) niet 1 patiënt aan lijkt te steken maar 3.28, kun je het modelleren als 10.2 'ver3.28en', Oftewel, elke 12.75 (zeg 13 dagen) zal de hoeveelheid patiënten ver-3.28-voudigen. Deze korte tijd maakt het ook een ander soort pandemie dan AIDS, waar een patiënt ook meerdere anderen aanstak (en de R0 ook tussen 2 en 5 lag), maar de tijdsschaal waarop dat gebeurde doorgaans veel langer was, maanden in plaats van dagen.

Die 3.28 leidt ook tot het getal van 70%. Als 70% van de bevolking het virus heeft gehad en daardoor immuun is (of dood is), zal een nieuw persoon misschien nog wel 3.28 mensen proberen te besmetten, maar 70% van die mensen (oftewel 2.29 mensen) is immuun of dood, dus wordt er maar 1 persoon besmet, dus blijft de ziekte stabiel, mogelijk komt er nog een 'piek' omdat persoon 1 niet noodzakelijkerwijs beter is als persoon 2 ziek wordt en je dus 5 of 6 personen in het ziekenhuis krijgt (bij COVID-19 waarschijnlijk 2 a 3 personen, omdat aansteektijd dus rond de 10 dagen ligt, en mensen 14-40 dagen ziek zijn), maar er zijn dan alleen maar continu evenveel patienten, evenveel ziekenhuisbedden blijven bezet door COVID-19-patiënten. Niet leuk (je wilt de bedden liefst voor andere mensen gebruiken), maar geen epidemie meer.

Dit is een elegant wiskundig model. Het is zo mooi, dat het bijna jammer is dat het niet klopt met wat we in de praktijk zien (https://www.worldometers.info/coronavirus/#countries), waar in plaats van een mooie steeds steiler wordende curve we een grote bult in het midden zien. Maar hoe kan wiskunde ooit fout zijn?

Wel, wiskunde klopt altijd, het probleem ligt normaal bij de aannames die je in het model stopt. In dit geval is de aanname dat iedere patiënt 3.28 anderen aansteekt. Dat is een mooi getal, het punt is dat dit in de wiskundig imperfecte wereld niet op een zuivere manier gebeurt (al was het maar omdat je nooit 0.28 persoon kan aansteken): er moet een fysiek/biologisch mechanisme achter zitten. Iemand moet virussen uitscheiden, en een ander persoon moet die in zijn eigen lichaam krijgen. Als iedereen in een isoleercel zou worden gezet zou het virus zich totaal niet verspreiden, en epidemiologen zouden zeggen dat de R0 van het virus 0 is - niets om je zorgen over te maken. Maar hoe kan dat, als wetenschappers zeggen dat de R0 van COVID-19 ongeveer 3.28 is?

Wat niet algemeen duidelijk lijkt, is dat dat getal van 3.28 NIET alleen een kenmerk van het virus is- het is een combinatie van het virus en de maatschappij/omstandigheden, die je grofweg zou kunnen samenvatten als:
1) hoeveel andere mensen ziet een COVID-19-patiënt die besmettelijk is?
2) hoe groot is de kans dat hij of zij dat virus aan die andere persoon overdraagt?

De eerste factor heeft erg te maken met de maatschappij (is het druk in de metro, zoals in Japan? Zijn mensen lid van veel verenigingen, zoals in Denemarken? Is het de gewoonte door te werken als je ziek bent om je 'loyaliteit' en 'stoerheid' te bewijzen?)

De tweede factor heeft zowel te maken met het virus (het ideale virus maakt mensen niet zo ziek dat ze niet meer rond kunnen lopen, maar produceert wel massa's nieuwe virusdeeltjes. Mensen boffen dat dat een heel moeilijke balans is voor een virus) als met de cultuur. Terwijl in Frankrijk mensen elkaar bij begroeting kussen, is een Japanse begroeting een buiging. Hoe vaak wassen mensen hun handen? Hoe dicht staan ze bij elkaar bij een normaal gesprek?

Wat ik zelf niet begrijp - misschien had Rutte geen tijd om dat uit te leggen: ik vermoed dat het getal van 3.28 voor R0 gebaseerd is op nauwkeurige berekeningen van virologen, kijkend naar de verspreiding in niet-voorbereide maatschappijen (zoals Italië, China, en Nederland). Maar als je kijkt naar maatschappijen die WEL voorbereidingen treffen, krijg je een heel ander beeld. Toen ik naar Japan ging, waren daar 300-1000 coronapatienten bekend, in Nederland een stuk of 3 (veel minder, ook als je het per miljoen inwoners bekijkt). In 2 weken is in Japan het aantal patienten verdubbeld (naar ongeveer 800), in Nederland is het ver-400-voudigd. Waarom het verschil?

Afgezien van het feit dat Japanners geen handen schudden maar buigen, had Japan scholen en musea en andere plaatsen van massale bijeenkomst gesloten, en elk openbaar gebouw, inclusief hotels en restaurants, had een fles schoonmaakalcohol waarmee je je handen diende schoon te maken. Door het sluiten van een groot deel van het openbare leven had Japan dus 1) (hoeveel andere mensen ziet een patiënt) verminderd, door de handalcohol en de oproep tot extra hygiëne werd ook 2 verminderd.

In Japan heeft COVID-19 dus een R0-waarde die lager zal zijn dan 3.28, en mocht Japan stug doorgaan met de huidige maatregelen, dan zal de bevolking die 'herd immunity' krijgen bij een lager percentage geïnfecteerden dan 70%.

Als je de twee factoren begrijpt zie je ook dat China door het opsluiten van de bewoners van Wuhan (1) ook daadwerkelijk de infectie kon stoppen voordat 70% van de bevolking besmet was. Singapore en Taiwan zijn ook flink bezig met (1), door mensen die met koorts rondlopen (en dat te zien met thermometers bij openbare gebouwen) te verminderen en/of zoals Zuid-Korea willekeurige mensen in drive-through-teststations te testen wordt in al deze landen (1) flink verminderd. Als mensen hun handen meer wassen  (en dus (2) ook aanpakken) wordt de score nog beter.

Oftewel: als de maatschappij verandert, verandert de waarde van R0, en krijg je 'groepsimmuniteit' bij lagere percentages van de bevolking, wat duizenden zo niet tienduizenden doden en mensen die nog wel doorleven maar met flinke orgaanschade kan schelen.

De maatregelen die nu genomen zijn zullen in elk geval tijdelijk R0 verminderen; en als we besluiten de komende jaren geen handen meer te schudden in Nederland, maar de "vulcan salute" te gaan gebruiken of de Japanse buiging, zal dat ook waarschijnlijk vele doden schelen.

De ironie en de hoop is dus dat de hygiëne-maatregelen die Rutte heeft aangekondigd er op zich al voor zullen zorgen dat we groepsimmuniteit krijgen bij minder dan 70% geïnfecteerden.

Als we zoals Taiwan of Singapore mensen bij openbare gebouwen of bedrijven mensen die binnenkomen op temperatuur zouden checken, zelfs als is dat (dat geef ik de daarover klagende wetenschappers toe) geen 100% betrouwbare methode om aan te tonen dat iemand niet besmettelijk is, zal dat toch een paar mensen uitfilteren en daarmee de R0 verminderen.

Als we, zoals Zuid-Korea, willekeurige mensen op straat zouden testen en isoleren zou dat ook de hoeveelheid mensen die een besmet persoon ziet verminderen (omdat ze eerder in quarantaine worden geplaatst).

Natuurlijk is het voor te stellen dat Rutte Nederland niet permanent wil ontwrichten, maar zo snel mogelijk terug wil naar 'business as usual', en dat het kabinet gewoon hoopt dat de 3.4% mortaliteit gerapporteerd door de WHO niet klopt (persoonlijk vind ik het nogal eng te hopen dat gegevens van een wereld-leidende gezondheidsorganisatie niet kloppen), of dat het dood laten gaan van een half miljoen Nederlanders of meer (en het lichamelijk beschadigen/minder productief maken van vele anderen) een acceptabele prijs is om weer terug te kunnen gaan tot de orde van de dag. Toerisme! Productie! Import/export! Testen zoals Zuid-Korea doet -testen kost geld (in de VS 30 tot 50 dollar, zeg rond de 35 euro per persoon), en willen/kunnen we dat geld echt uitgeven?

Moeten we niet gewoon de bittere pil slikken en ons erbij neerleggen dat we of voor eeuwig in ons huis gevangen moeten zitten ofwel accepteren dat heel veel mensen veel eerder dood gaan en dat zien als de prijs om weer ons gewone leven op te pakken?

Er zijn een paar overwegingen die dat misschien wat genuanceerder maken.

Allereerst dat COVID-19 de wereld niet permanent hoeft te terroriseren. Als een virus een goede immuunreactie veroorzaakt (wat Rutte lijkt aan te nemen, anders heb je geen herd-immunity, maar een continue pandemie), kan je normaal een vaccin ontwikkelen. Dat vaccin ontwikkelen zal tijd kosten - 1 jaar, misschien 1.5 jaar, maar het zou dan kunnen. Daarnaast is het ook mogelijk antivirale middelen te ontwikkelen, zoals we gebruiken tegen bepaalde typen griep, en waarmee we tegenwoordig zelfs AIDS onder de duim kunnen krijgen. Tenslotte kun je medicijnen uittesten die niet direct op het virus ingrijpen maar bijvoorbeeld de longontsteking of longbeschadiging die de lichamelijke reactie is remmen. Of andere behandelmethoden dan medicijnen, wie weet? Kortom, als we de epidemie vertragen kunnen we tijd winnen, niet alleen om de medische zorgen te spreiden, maar ook omdat de behandeling en preventie van COVID-19 steeds beter zal worden. "Op slot gaan" hoeft dus niet voor altijd!

Ten tweede is het de vraag of de economie altijd voor moet gaan, zelfs voor mensenlevens. Ja, het kost geld om mensen te testen op COVID-19 (al zal ook dat goedkoper worden naarmate we beter worden in massaproductie). Ja, temperatuurmetingen kosten ook geld (zeg een paar eurocent per persoon die een gebouw binnenkomt). Mensen die snotteren en hoesten vragen thuis te werken kost ook geld (tele-vergaderen en thuiswerken zijn niet noodzakelijkerwijs even efficiënt als op locatie vergaderen of werken). Maar toch: als we het ons als maatschappij kunnen veroorloven het komende jaar onze welvaart te verminderen en te steken in bestrijding van het coronavirus - minder welvaart, meer welzijn en leven -zouden we dat niet moeten kiezen? Zelfs als zullen de mensen die daardoor niet ernstig ziek worden of doodgaan of voortijdig vrienden en familieleden verliezen ons daar niet dankbaar voor zijn... ik denk wel dat dat het juiste is om te doen.




zondag 11 april 2010

Nieuwe blog verhuisd naar permanente locatie

Beste lezer,

mijn huidige blogactiviteit is (zoals al maanden geleden gepland) overgebracht naar http://blogs.nature.com/ericwubbo. Het is gespitst op talent en talentontwikkeling (en overigens ook in het Engels, schrik niet).

Misschien tot daar,

Eric-Wubbo

woensdag 24 maart 2010

Het nieuwe blog

Beste lezers,

mijn nieuwe blog is te vinden op http://thesciencetalentproject.blogspot.com/

Het gaat over mijn onderzoekingen naar wetenschappelijke uitblinkers - is het talent? Hebben ze een geheim? Wat kunnen we ervan leren?

Afijn, ik heb veel inspiratie. Misschien tot daar!

Eric-Wubbo

zaterdag 23 januari 2010

Statusupdate

Beste lezer,

deze weken ben ik druk bezig met het voorbereiden van mijn promotie tot doctor donderdag 28 januari 2010. Daarna zullen andere schrijfprojecten (waar ik helaas nog weinig over mag zeggen) mijn meeste tijd gaan innemen. Ik zal wel een Engels blog gaan bijhouden over mijn huidige studies (de locatie zal ik tzt linken), maar ik weet niet hoe vaak ik nog deze labnotities blog zal updaten.

Dit blog zal waarschijnlijk blijven bestaan zolang blogspot het niet weghaalt; en het zou kunnen dat ik het ooit weer ga updaten als mijn andere schrijfactiviteiten minder tijd gaan vragen. Maar voorlopig zullen de Labnotities vooral handig zijn voor eventuele opdrachtgevers die mijn schrijfstijl willen evalueren en voor jonge en oude mensen met een algemene interesse voor wetenschap, van wiskunde tot psychologie.

Lezer, ik groet u. Misschien tot een volgende keer!


Eric-Wubbo

donderdag 20 augustus 2009

De vraag achter de vraag

Een paar jaar geleden zat ik op een mooie zondagmorgen in de trein van Leiden naar Rotterdam om de dierentuin daar te bezoeken. Toen schoot ineens een oudere dame me aan, en vroeg me of ik student was. Ik was toen AIO, dus ik zei nee, en de vrouw hobbelde weg. Toch bleef ik nog even nadenken over waarom ze de vraag had gesteld; wáárom zou een onbekende vrouw me vragen naar mijn educatieve status? Tot de passagier schuin tegenover me zei: "Ze wilde weten of je een kortingskaart had, dan kan ze goedkoper meereizen."

Toen mijn vader naast zijn baan als ziekenhuisapotheker één ochtend per week lesgaf aan een hogeschool in Amsterdam, en daar dus ook tentamens voor moest bedenken, benadrukte hij altijd dat de meeste van zijn studenten wel de vragen probeerden te beantwoorden, maar dat hij juist wilde dat ze nadachten over de vraag achter de vraag: waarom was de vraag gesteld? Als iemand je bijvoorbeeld vraagt bij welke dierenwinkel hij terecht kan voor puppies, kun je ook verwijzen naar een kennis van jou wiens hond juist een nest jonkies heeft gekregen. De vraag is weliswaar naar waar de dierenwinkel is, maar de vraag achter de vraag (of het verlangen achter de vraag) is: "Ik wil een hond", net zoals het verlangen achter de vraag van de vrouw in de trein was "ik wil geen boete krijgen omdat ik geen voordeelurenkaart bij me heb maar wel een goedkoop kaartje heb gekocht."

In de vorige aflevering had ik het over doelen, en dat het meestal zo moeilijk is tussen verschillende huizen, jongens of banen te kiezen omdat ze vaak moeilijk vergelijkbaar waren. Bij het ontwerpen van geneesmiddelen is het zo mogelijk nòg erger: een nieuw geneesmiddel moet goed oplosbaar zijn in water, het moet opgenomen kunnen worden door het lichaam, het mag niet te snel worden afgebroken door de lever, of uitgescheiden worden via de urine, het mag niet giftig zijn en het moet ook nog werken! Er zijn dus meerdere doelen, waar allemaal aan moet worden voldaan.

Nu hebben wetenschappers daar een methode voor ontwikkeld, die met een hippe Engelse term "multiple objective optimization" wordt genoemd, ofwel MOO. In het Nederlands betekent het natuurlijk gewoon "meerdere doelen optimaliseren". Optimaliseren is dan weer een complex woord dat betekent dat je de beste mogelijkheid wil vinden. Als je zegt "ik wil een optimaal salaris", is dat gewoon een onschuldig klinkende versie van "ik wil een zo hoog mogelijk salaris".

Het probleem met MOO is dat (net als in het dagelijks leven) het streven naar één doel het streven naar andere doelen kan tegenwerken. Zelfs voor de aantrekkelijkste man op aarde is het ontzettend moeilijk een vriendin te krijgen die professioneel fotomodel is, een doctorstitel heeft in de theoretische wiskunde, een eigen bedrijf heeft met duizenden werknemers en een miljardenomzet, nummer 1 op de wereld-tennisranglijst is en altijd zijn eten klaar heeft staan als hij na een lange, vermoeiende dag thuis komt. Geen enkele vrouw heeft zoveel tijd in de dag om in al die dingen uit te blinken.

Bij het ontwerpen van een geneesmiddel heb je vaak zulke problemen: soms heb je een stof die goed werkt in een reageerbuisje, maar niet door de darmen kan komen. Of een stof die wel door de darmen heenkan, maar te snel afgebroken wordt door de lever. En als je een stof aanpast (bijvoorbeeld, een paar atomen te vervangen zodat de stof minder giftig wordt) zie je vaak dat andere eigenschappen dan weer slechter worden, het werkt dan bijvoorbeeld minder sterk. Het is net als een deken die te heet gewassen is en daardoor te klein is geworden: als je het ding over je bovenlichaam trekt, worden je voeten koud, stop je je voeten onder de deken, dan is je romp weer onbedekt.

Als je verschillende potentiële geneesmiddelen met elkaar gaat vergelijken krijg je dus een grafiek als deze

In de grafiek hierboven wil je minimale waarden hebben van twee functies (als het meer functies zijn, wordt het een drie-vier-vijf of zes-dimensionele afbeelding, afhankelijk van het aantal functies). Laten we in dit geval zeggen dat de X-as aangeeft hoe giftig een stof is, en de Y-as aangeeft hoe snel de stof wordt afgebroken door de lever. De stoffen rechts boven de rode lijn kun je weggooien: er zijn stoffen (namelijk, de donkerder gekleurde vakjes op de rode lijn) die zowel minder giftig zijn als minder snel afgebroken worden. Maar zelfs als je die stoffen weggooit, moet je nog steeds kiezen uit de negen andere stoffen. A is bijvoorbeeld minder giftig dan B, maar wordt wel sneller afgebroken. Maar B wordt weer langzamer afgebroken (wat goed is), maar is giftiger dan A (wat slecht is!) Wat erger is: in echt onderzoek heb je geen negen verschillende stoffen, maar honderden of duizenden verschillende stoffen die allemaal 'even goed' zijn. Hoe kun je dàn nog kiezen?

Sommige onderzoekers nemen dan gewoon de middelste stof. Anderen vermenigvuldigen de waarde van de ene eigenschap met één bepaald getal, en tellen dat op bij de waarde van de andere eigenschap (de waarde die wordt gekozen is er doorgaans een die de wetenschapper min of meer op zijn gevoel kiest). Maar hoe meer stoffen er zijn, en op hoe meer doelen je let, hoe moeilijker dat wordt. Hoe kun je een ècht goede beslissing nemen inplaats van maar wat te gokken? Dat kan alleen door terug te gaan naar, de vraag achter de vraag.

In het echte leven is de vraag achter de vraag helaas vaak ingewikkeld en abstract als het dieper gaat dan vrouwen die vragen of je student bent, of mensen met 'boekenclub'-T-shirts die op het station staan en je vragen of je weleens boeken leest (dat is eigenlijk natuurlijk irrelevant voor ze, wat hun betreft mag je hun boeken kopen zonder dat je er een letter van leest, je moet ze alleen kopen. De vraag achter de vraag is gewoon: "Zou u verplicht elke maand een laag-kwalitatief boek uit ons assortiment willen kopen?" Maar daar zouden mensen waarschijnlijk eerder 'nee' tegen zeggen). Ik bedoel, voor de belangrijke vragen (zoals: welke partner moet ik nemen) heb je vaak een antwoord dat je af kan leiden uit de biologie (namelijk: bij welke partner hebben mijn genen zich over honderd jaar optimaal verspreid), maar zo'n antwoord is vaak veel te complex om te berekenen en er zijn teveel onbekenden om gemakkelijk een keuze te maken bij bijvoorbeeld speeddating.

Gelukkig is het bij geneesmiddelontwikkeling makkelijker. De vraag achter de vraag is: welke van deze stoffen heeft de grootste kans een winstgevend geneesmiddel te worden? Al de doelen die ik boven heb genoemd (oplosbaarheid, werkzaamheid, veiligheid, enzovoorts) dienen alleen maar om het geneesmiddel zo goed mogelijk te maken. Natuurlijk is het een uitdaging om al die verschillende gegevens te verenigen in één model, maar als je het uiteindelijke doel voor ogen houdt kun je iets veel beters krijgen dan gewoon alles optellen en hopen dat het hoogste of het laagste getal het beste is.

Bij geneesmiddelontwerp zou je bijvoorbeeld kunnen onderzoeken als de oplosbaarheid van een molecuul laag is: hoeveel geneesmiddel-kandidaten met zo'n lage oplosbaarheid hebben het gered? En hoeveel hebben het niet gered? Werkzaamheid versus veiligheid kun je combineren als gegevens over hoe erg de bijwerkingen mogen zijn ten opzichte van de genezing van de kwaal (haaruitval is acceptabel bij een middel tegen kanker, maar niet bij een middel tegen verkoudheid). Kortom, als je het uiteindelijke doel, dat je een goed geneesmiddel wilt ontwikkelen, in de gaten houdt, kun je ineens wèl keuzes maken.

In het dagelijks leven zal het niet altijd zo gemakkelijk zijn te kiezen tussen banen, huizen, en dates. Maar dat kiezen soms moeilijk is moet ons niet verleiden dan maar 'makkelijke' keuzes te maken tussen vergelijkbare dingen, zoals beschreven in mijn vorige stuk. Immers, die makkelijke keuzes zijn lang niet altijd de beste keuzes. Een keuze tussen aardbeienijs en vanilleijs is niet iets om je het hoofd over te breken. Maar als je een ècht belangrijke keuze hebt, kan het zeker geen kwaad eens na te denken over ... de vraag achter de vraag.

woensdag 19 augustus 2009

Zoek een lelijke vriendin


Je zou denken dat kiezen fantastisch is. Een van de grootste voordelen die mensen noemen van een democratie tegenover een dictatuur is dat mensen vrijheid hebben: als we willen, kunnen we kiezen een demonstratie te houden tegen de regering, of kiezen op feestjes een andere mening te verkondigen dan die van generaal X, die laatst de macht gegrepen heeft. We hebben geen kastes die, zoals vroeger in India, bepaalden wat voor beroepen je wel of niet mag uitoefenen. Discriminatie op grond van geslacht is verboden, je kan als man verpleger worden, en als vrouw minister-president!

Het akelige is dat kiezen in werkelijkheid niet altijd leuk is, want het is moeilijk. Hoewel sommige mensen gemakkelijk door het leven gaan en gewoon dingen kiezen die 'goed genoeg' zijn, zijn er ook mensen die in bepaalde gebieden van hun leven 'optimaliseerders' zijn - ze willen de leukste carrière, de meest geschikte partner, het perfecte huis. En hoe meer keuzes ze hebben, des te wanhopiger ze worden.

Dat komt omdat kiezen vaak moeilijk is omdat zoveel factoren een rol spelen in de keuze. Bijvoorbeeld: de ene baan betaalt meer geld, maar is saaier. Een andere baan betaalt minder geld, maar laat je vaker naar het buitenland reizen. Een derde baan betaalt evenveel geld als de tweede, maar je kunt gemakkelijker promotie maken. Een vierde baan... Je kunt geld met geld vergelijken, reizen met reizen, en promotie met promotie. Maar geld met promotie? Geld met reizen? Reizen met promotie? Het is als het vergelijken van appels met peren. Je KUNT ze niet echt vergelijken. De meeste mensen zijn dan ook wanhopig bewust of onbewust op zoek naar dingen die het kiezen eenvoudiger maken.

Gelukkig hebben die mensen nu hulp van de psycholoog Dan Ariely. Professor Ariely onderzoekt het gedrag van mensen (en vooral hoe mensen keuzes maken) en beschrijft in zijn boek "Predictably Irrational" ('voorspelbaar irrationeel') hoe hij experimenten uitvoerde waaruit een interessante voorkeur van mensen bleek als ze iets moesten kiezen: ze kozen de beste uit de mogelijkheden die het meest op elkaar leken en daarom het gemakkelijkst te vergelijken waren.

Dat betekent dat als iemand met zijn makelaar verschillende huizen bezoekt, bijvoorbeeld een rijtjeshuis en een appartement, zijn uiteindelijke keus afhangt van het derde huis wat bezocht wordt. Als dat een iets onaantrekkelijker rijtjeshuis is, is het voor de koper veel gemakkelijker de keuze te maken tussen de twee verschillende rijtjeshuizen dan tussen een rijtjeshuis en een appartement. Hij kiest dus de gemakkelijkste vergelijking, en gaat dus voor het eerder getoonde en betere rijtjeshuis. Maar als de makelaar de koper naar een iets lelijker appartement leidt, geeft diezelfde koper waarschijnlijk de voorkeur aan het appartement, omdat hij de appartementen gemakkelijker met elkaar kan vergelijken en er daarom de voorkeur aan geeft.

Als je het raar vindt dat een huis dat niet gekozen wordt invloed heeft op welke van de twee andere huizen wèl gekozen wordt, heb je helemaal gelijk! Maar mensen blijken nou eenmaal zo te kiezen. Ariely toonde dat ook aan in een ander experiment, niet met huizen, maar met foto's van potentiële dates. Hij nam foto's van de studenten op MIT, en koos de mooiere eruit (de jonge George Clooneys en Brad Pitts) en de lelijkere (de toekomstige Woody Allens en Danny De Vito's). Als studentes moesten kiezen tussen George en Woody hadden ze het gemakkelijk. Maar hoe te kiezen tussen George en Brad? De oplossing was, de foto's van de hunks te kopiëren en de kopie te bewerken zodat je een iets lelijker George of Brad kreeg (UglyGeorge en UglyBrad). Studentes die moesten kiezen tussen George, UglyGeorge en Brad kozen vaker George (75%), maar als ze moesten kiezen tussen George, Brad en UglyBrad kozen ze in een even grote meerderheid voor Brad. Niemand koos UglyGeorge of UglyBrad, maar de aanwezigheid van de minder aantrekkelijke derde foto zorgde beïnvloedde wèl welke van de twee andere foto's gekozen werd.

Voor studenten van Ariely was de conclusie duidelijk. Je moest vooral het uitgaansleven in met iemand die qua uiterlijk ontzettend op je leek, maar die nèt iets onaantrekkelijker was. De dochter van een van zijn collega's was razend enthousiast. "Suzan" had na enig zoeken de ideale uitgaanspartner gevonden, en merkte al snel dat jongens veel meer interesse in haar begonnen te hebben. Psychologie werkt echt!

Tenminste, als je je hersens bij elkaar houdt. Een paar weken na haar eerste enthousiaste bericht schreef Suzan prof. Ariely weer. Op een avond had ze teveel gedronken en vertelde haar nieuwe vriendin de èchte reden waarom ze haar overal mee naartoe nam. Dat verhaal eindigde niet erg goed. Zoals Ariely wijselijk schrijft in zijn boek: "Vertel je nieuwe boezemvriend(in) nooit waarom je hem of haar overal mee naartoe sleept. Je vriend kàn wel enige vermoedens hebben, maar, in hemelsnaam, elimineer nóóit alle twijfel."

dinsdag 21 juli 2009

Jokkers, leugenaars en wetenschappers


Kan liegen ooit voor een goed doel zijn? Soms wel, denk ik. Het meisje dat “ik heb al een vriend” zegt, in plaats van dat ze verklaart dat ze nooit uit zou gaan met zo'n dikzak/nerd/lelijkerd. De echtgenoot die zegt “Ik vind je nog even slank als vroeger” terwijl hij ziet dat de eens zo goed zittende kleren tot op barstens toe gespannen zijn. Leugens kunnen ons helpen onszelf blijer te maken, en anderen gelukkiger te maken. En dat is een mooie toepassing.

Maar soms is de grens tussen wat is toegestaan en wat niet is toegestaan onduidelijker, bijvoorbeeld in de wetenschap. Dat betekent niet dat je als wetenschapper data mag verzinnen en die in je artikel zetten. Het gebeurt soms, maar als mensen erachter komen is dat het einde van je carrière. En terecht: de wetenschap drijft op ware kennis, en hij kan niet goed werken als iedereen verzonnen onderzoeken zou opschrijven omdat dat sneller gaat dan een experiment doen.

Maar dat wil niet zeggen dat er geen grenzen zijn aan de eerlijkheid van wetenschappers. En het meest prominente schemergebied is de opfraaiing van de waarheid bij het aanvragen van onderzoeksgeld.

Er zijn veel wetenschappers, en ze hebben allemaal onderzoeksgeld nodig om hun eigen salaris van te betalen, promovendi mee aan te nemen, apparatuur en chemicaliën van te kopen, en congresbezoek te financieren. Dat is begrijpelijk. Er is alleen niet genoeg onderzoeksgeld voor al die wetenschappers. Dat is niet persé een natuurwet, het heeft ermee te maken dat de Nederlandse regering (net als alle regeringen ter wereld) maar een bepaald bedrag voor onderzoek uittrekt. Als dat bijvoorbeeld vijf keer zoveel zou worden, zouden alle wetenschappers in Nederland ineens een baan hebben met voldoende geld; maar de Nederlandse regering doet dat niet, allereerst omdat er ook nog andere dingen betaald moeten worden (wegen, scholen, ziekenhuizen), en ten tweede omdat als ze meer geld geven de Nederlandse professoren gewoon meer mensen zouden aannemen, ook uit het buitenland (India, China, etc.) en het geld nog steeds op zou komen en de nu veel grotere hoeveelheid wetenschappers nog steeds zou klagen over geldgebrek.

Er zijn dus veel wetenschappers, en er is weinig geld. Hoe beslis je dan als regering wie geld krijgt?
In principe zijn er twee mogelijkheden.
Òf je geeft geld aan de beste onderzoekers, de onderzoekers die fantastische onderzoeksideeën hebben, prachtig onderzoek doen en allemaal prijzen (zullen) winnen.
Òf je geeft geld aan die wetenschappers die iets nuttigs onderzoeken. Dat heeft het voordeel dat je misschien het geld terugverdient met kostenbesparende uitvindingen of betere medicijnen enzo.

Voor beide methoden valt het een en ander te zeggen. Het fundamentele onderzoek, zelfs als het niets nuttigs oplevert, is gewoon 'cool'. Zolang de regering geld geeft aan kunstenaars en sporters zou je zeker geld moeten geven aan een aantal wetenschappers, als een soort culturele bijdrage. Nuttige onderzoeken klinken ook goed: onderzoek waarvoor je (indirect) geld terugkrijgt. Dat klink economisch erg verstandig. De Nederlandse regering kiest dan ook voor allebei.

Nu heb ik geen bezwaar tegen het sponsoren van uitstekende wetenschappers. Als een beperkt aantal sporters en kunstenaars wordt betaald, zou het onrechtvaardig zijn als dat voor wetenschappers niet zou gelden. Ten tweede doen alle landen het (op misschien een paar na, maar elk westers land dat ik ken financiert wetenschappers). Ten derde zou het gevolg zijn als je het niet deed dat de beste wetenschappers naar het buitenland zouden gaan (althans meer dan nu het geval is), dat de slimste studenten die wetenschappers zouden volgen en in het buitenland carrière zouden maken. En als de meeste slimme mensen het land verlaten, is dat waarschijnlijk niet goed voor onze economie die slimme mensen nodig heeft voor nieuwe uitvindingen en het kunnen toepassen van nieuwe technologie.

Het probleem is echter bij B). Er is veel geld beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek naar bepaalde nuttige dingen. Er zijn veel wetenschappers beschikbaar als er maar geld is. Dat klinkt als een deal die voor beide partijen gunstig is. Maar dat is het niet. Het is een deal die voor tenminste één van de partijen (als niet voor beide partijen) ongunstig is. En dat is om het volgende.

Een wetenschapper wordt wetenschapper omdat hij of zij wil onderzoeken wat h/zij leuk vindt. Een wetenschapper kan wetenschapper blijven (=vaste baan aan universiteit krijgen) omdat hij of zij voldoende publicaties schrijft om beroemd te worden in zijn of haar vakgebied. Stel nou een willekeurige wetenschapper voor die is afgewezen voor de 'fantastisch onderzoek'-pot, maar die wel geld zou kunnen krijgen voor bepaald maatschappelijk relevant onderzoek. Voor die wetenschapper zijn er dan twee problemen:
a) hij vindt dat onderzoek helemaal niet leuk om te doen, en hij is geen wetenschapper geworden om saaie dingen te doen die een ander voor hem heeft uitgezocht. Dan kon hij net zo goed in het bedrijfsleven gaan werken (en een nog veel hoger salaris krijgen ook!)
b) echte maatschappelijke problemen zijn complex. Je moet met veel mensen samenwerken, veel overleggen, en je hebt vaak maar heel weinig wetenschap nodig. Omdat er weinig wetenschap in zit, kun je er nauwelijks over publiceren, wat wetenschappelijke zelfmoord is.
Natuurlijk is het geen geld kunnen krijgen óók wetenschappelijke zelfmoord. Dat is dus het dilemma van de wetenschapper.

Heel veel wetenschappers (misschien zelfs de meeste) lossen het probleem echter op de volgende manier op.
1) Ze kiezen een willekeurig maatschappelijk probleem dat hopelijk in de verste verte iets met hun onderrzoeksinteresse te maken heeft.
2) Ze schrijven een voorstel waarmee ze beargumenteren dat hun lievelingsmethode een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren aan het oplossen van het maatschappelijke probleem
3) Ze krijgen een zak geld, en ontwikkelen daarmee hun lievelingsmethode verder
4) Ze publiceren een aantal artikelen over de verbeteringen die ze hebben gemaakt in hun lievelingsmethode
5) Ze proberen op een dinsdagnamiddag de methode uit op het maatschappelijk probleem. In verreweg de meeste gevallen helpt de methode geen zier.
6) Ze schrijven de fondsengevers dat ze de methode hebben toegepast, en dat het zeker veelbelovend is, maar dat er nog veel meer geld nodig is om hem voldoende te ontwikkelen om het probleem op te lossen
7) Als ze geld krijgen, gaan ze weer naar stap 3, anders moeten ze terug naar stap 1

Nu zou ik die wetenschappers niet echt voor leugenaars willen uitmaken. Immers, er is altijd een kans (een verschrikkelijk kleine kans, maar toch een kans) dat de methode echt werkt om het probleem op te lossen. En als wetenschapper kun je toch nooit zeker zijn dat een methode werkt, daarom is het ook wetenschap. Maar intussen komt het zeven-stappenplan wel mooi tegemoet aan de noodzaak van zowel geld als publicaties.

Wat minder makkelijk te geloven is, is dat de subsidiegevers keer op keer in dat verhaal lijken te trappen. Iemand die een beetje verstand heeft van wetenschap kan redelijk goed zien wie er jokt met een onmogelijk of onpraktisch onderzoeksvoorstel, en anders zie je wel na de eerste ronde wie gewoon heeft zitten rommelen en ongerelateerde dingen heeft gedaan, en die geef je gewoon geen geld meer. Zijn subsidiegevers ècht zo dom?

Ik denk het niet. Maar we moeten niet vergeten dat de subsidiegevers òf ambtenaren zijn, òf andere wetenschappers. Als het ambtenaren zijn, weten ze dat als ze niet àl hun subsidie uitdelen, dat er volgend jaar minder geld is, en dat ze misschien ontslagen zullen worden (om minder geld uit te delen zijn minder ambtenaren nodig). Als ze wetenschappers zijn, weten ze dat als ze niet alle subsidie uitdelen, er volgend jaar minder geld is, en dat er dan minder wetenschappers kunnen werken. Bovendien kunnen ze het onredelijk vinden dat wetenschap op 'nut' wordt beoordeeld, en saboteren het systeem door een oogje dicht te knijpen als de aanvragende hoogleraar of postdoc een neus krijgt als Pinokkio.

De overheid heeft het dus moeilijk. Ze kunnen de subsidieverstrekkers niet vertrouwen, en de wetenschappers zelf al helemáál niet. Ze geven veel geld uit, maar krijgen daar bitter weinig voor terug, in elk geval veel minder dan als ze zelf wetenschappers en analisten hadden ingehuurd en die onder strenge supervisie wèl aan het probleem hadden laten werken. Maar ook de overheid doet een oogje dicht. Immers: toegeven dat hun plan mislukt staat gelijk aan falen, gezichtsverlies. Bovendien, als ze de wetenschap willen sponsoren, staat het veel beter de uitgaven als 'toegepast onderzoek' te presenteren aan de Tweede Kamer. Bovendien wordt het geld wel gebruikt om jonge wetenschappers op te leiden die later misschien wèl erg goed worden, dus het geld is niet helemaal verspild.

Toch vind ik dit systeem niet ideaal. Intelligente niet-wetenschappers kunnen het idee krijgen dat wetenschappers parasieten zijn, zelfs erger: hypocriete parasieten (wel, parasieten is een beetje waar, maar het valt in het niet bij het parasitisme van bankdirecteuren en aandelenhandelaren). Ten tweede dat wetenschap alleen maar nutteloze ivorentoren-luchtfietserij is (dat is zeker niet waar! Wetenschap kan ontzettend nuttig worden toegepast; de meeste wetenschappers zijn daar gewoon niet in geïnteresseerd, maar de kennis die wetenschappers genereren kan soms heel nuttig zijn, al gebruiken wetenschappers zelf de kennis niet. Maar anderen kunnen dat wel doen). Als wetenschappers maken we ons daar nu misschien niet al te veel zorgen over – immers, we krijgen ons geld- maar toekomstige politici kunnen in tijden van geldgebrek wel die argumenten gebruiken om wetenschappelijke subsidies verder in te krimpen. Ten tweede zullen heel wat eerlijke potentiële jonge wetenschappers door dat gekonkel een minachtig voor de wetenschap krijgen en een andere richting opzoeken. Wetenschappers moeten niet alleen naar hun korte-termijncarrière denken, maar ook aan de reputatie van de wetenschap als geheel.

Maar valt die reputatie ooit nog te repareren? Ik vrees dat dingen voorlopig nog wel zullen blijven gaan zoals ze nu gaan. Maar ik kan dromen. Ik droom van een dag waarbij de topwetenschappers net als de topkunstenaars en topsporters voldoende subsidie krijgen om alleen maar dat onderzoek te doen waar ze van dromen. En dat de rest van de wetenschappers voldoende geld krijgt om van te leven en van te werken, op voorwaarde dat ze 20 uur van de week in dienst zijn van het Rijk, om onderwijs te geven en onder supervisie van een slimme maatschappelijk betrokken directeur hun grote intelligentie en expertise zo goed als ze kunnen ter beschikking te stellen voor een ècht probleem, om een èchte oplossing te produceren. Misschien dat dan wetenschappers weer met opgeheven hoofd over straat kunnen lopen als eerlijke mensen, en dat iedereen die geen wetenschapper is dan weer beseft dat wetenschap ècht nuttig kan zijn.

donderdag 16 juli 2009

Status!

"Dus je overweegt les te gaan geven op een middelbare school?"

De uitdrukking van mijn 'date' verstrakte, en het leek alsof ze zich iets verder terugtrok in haar stoel. Dat ik ook overwoog freelance journalist te worden was nog acceptabel (misschien niet als ze had geweten wat voor inkomen daar in het begin mee verbonden is), en zelfs mijn bekentenis dat ik soms computers programmeerde (zeggen dat je een programmeur bent schijnt de slechtst mogelijke zin te zijn om een meisje mee te versieren) had haar niet al te erg van haar stuk gebracht. Maar docent ... op een school...het was alsof ik de achtig die ze eventueel nog voor mij had in een bodemloze put voelde wegzinken. Relationship material? No way...

Wie wil er nog leraar worden?

Misschien is dat een verkeerde vraag. Het is mogelijk leraar te worden om de verkeerde redenen (bijvoorbeeld omdat je de zekerheid wilt van een onderwijsaanstelling, of omdat je ontslagen bent en een baan moet zoeken en je ooit een onderwijskwalificatie hebt gehaald als 'appeltje voor de dorst'), en er zullen altijd mensen zijn die een passie voor het vak hebben, voor lesgeven en voor kinderen.

Het lijkt alsof in een ideaal systeem alleen mensen uit de tweede categorie leraar zouden worden, maar in de praktijk heb je het probleem dat niet alle mensen die leraar willen worden, ook een goede leraar zouden zijn. Volgens het (zeer leerzame) McKinsey-rapport "How the world's best performing school systems come out on top" is het belangrijkste dat docenten zelf ontzettend goede rekenvaardigheden, taalvaardigheden en sociale vaardigheden hebben (naast die passie voor onderwijs en de motivatie het zo goed mogelijk te doen). En dat is echt geen overbodige luxe: kinderen met goede docenten leren ongeveer drie keer zo snel als kinderen met slechte docenten; na drie jaar school scoren kinderen die topdocenten hebben gehad 53 percentielpunten hoger dan kinderen die beroerde docenten hebben gehad (90 vs 37). Dat is het verschil tussen VWO en VMBO!

Naast het feit dat niet alle mensen die leraar zouden willen worden leraar zouden moeten worden (of tenminste radicaal betere training zouden moeten krijgen dan nu het geval is) is het ook zo dat geen enkele docent claimt het te doen voor het salaris, maar dat er wel veel minder interesse is voor een baan als docent als het startsalaris ver onder het gemiddelde van een pas afgestudeerde in het bedrijfsleven ligt. Passie voor kinderen wordt dus waarschijnlijk wel (onbewust) afgewogen tegen een onaantrekkelijke financiële positie, en landen die startsalarissen voor docenten verhoogden tot rond het gemiddelde voor afgestudeerden krijgen ook veel meer aanmeldingen, terwijl een verdere verhoging (zeg top-start-salarissen) niet veel meer mensen werven - mensen die van lesgeven houden, komen als het salaris concurrerend is met wat ze zouden krijgen als ze iets anders zouden gaan doen. Mensen die niet van lesgeven houden, laten zich zelfs door goudgeld niet verleiden.

De internationale vergelijking door McKinsey is overigens om nog meer redenen interessant: het laat zien dat er landen zijn waar de vraag "Wie wil er leraar worden" met veel meer enthousiasme wordt beantwoord dan hier. In landen als Finland en Singapore zijn er tien tot twintig keer zoveel aanmeldingen voor de lerarenopleiding als er plaatsen zijn, de mensen die leraar worden behoren tot de top 30% of zelfs tot de top 10% van alle afgestudeerden. De slimste jongetjes en meisjes van de klas worden leraar. In Nederland klinkt dat ongelofelijk. Waarom is dat zo? Het antwoord op die vraag is bijzonder interessant.

Mijn grootvader was leraar. En dat was geen schande in het begin van de 20e eeuw: het was zelfs een eer. Om leraar te mogen worden moest mijn grootvader competitief examen doen met honderden andere kandidaten, en kwam als een van de beste (of de beste) van Noord-Nederland uit de bus. Alleen de top van de top mocht leraar worden. Er waren natuurlijk jonge mensen die naar de universiteit gingen, maar dat kon alleen als je ouders rijk waren. De meeste mensen, ook mijn overgrootvader, die politieagent was, waren arm. De enige manier om als arm jongetje hogerop te komen was het leraarschap. Zelfs een Nobelprijswinnaar als Van der Waals startte (omdat zijn ouders arm waren) als leraar, en moest zich langzaam opwerken tot onderzoeker. Onderwijzer worden was geen schande: als je leraar was, betekende dat dat je briljant was, dat alleen maar je ouders te arm waren, anders was je hoogleraar of arts of topadvocaat geworden.

Waarom is dat zo veranderd? Wel, allereerst omdat nu iedereen kan studeren, zelfs al zijn je ouders niet bijzonder rijk. De overheid houdt de collegegelden relatief laag, en verstrekt zelfs leningen met lage rente die je alleen hoeft terug te betalen als je dat kan. Een tweede ontwikkeling was dat de overheid (misschien wegens het groeiende aantal vrouwen dat leraar werd) op een gegeven moment besloot dat leraren toch niet meer de kost hoefden te verdienen - de juffen hadden toch een man (die moest werken), dus konden ze met minder salaris toe dan een normaal persoon (lees: een man), die wel geacht werd het brood op de plank te kunnen betalen voor een gezin. Het is niet verbazingwekkend (zeker gezien het onderzoek van McKinsey) dat door deze salarisverhoging het animo voor het onderwijs (vooral bij mannen) enorm kelderde.

We hadden dus de situatie waar de slimste mensen allereerst meer alternatieven kregen (ze konden studeren) en tegelijkertijd de aantrekkelijkheid van het leraarschap werd ondermijnd door te beknibbelen op salaris. De slimste mensen werden ineens geen leraar meer, leraar werd je alleen als je niets anders meer kon (zoals ik een verbitterde natuurkundedocent, meneer R. had, die niet van lesgeven en al die 'domme kinderen' hield, maar wegens omstandigheden geen baan kon krijgen als echte onderzoeker). Leraren waren losers.

Tot de dag van vandaag is het eigenlijk zo gebleven. Als een beroep eenmaal aan het devalueren is kom je in een zelf-versterkende spiraal: de leraren worden steeds dommer, wat ervoor zorgt dat de status van de leraar afneemt, wat betekent dat minder mensen leraar willen worden ('leraar- daar ben je toch te slim voor?') en vaak alleen de mensen die niet bijzonder slim zijn of geen alternatief hebben leraar worden. Net zoals topuniversiteiten zoals Cambridge en Harvard aantrekkelijk zijn voor slimme mensen omdat ze daar omringd worden door slimme mensen en het een kick geeft ervoor geselecteerd te worden omdat dat betekent dat je heel slim bent, is het onaantrekkelijk omringd te worden met domme mensen en iedereen de indruk te geven dat je nergens anders geschikt voor bent.

En door de afkalvende status komen er steeds meer mensen voor de klas die niet gekwalificeerd zijn (lerarenopleiding niet afgerond, bijvoorbeeld), wat de status van het beroep nog lager maakt, en nog meer mensen afstoot, waardoor scholen minder selectief kunnen zijn en mensen van een nog lager niveau en met nog lagere capaciteiten moeten aannemen. Zo komt het beroep in een zichzelf versterkende spiraal tot het op een soort minimum niveau komt waaronder je niet meer kan zinken.

Het is dus mogelijk om een goed werkend systeem het moeras in te draaien. De vraag nu is: is het mogelijk weer uit het moeras omhoog te komen? Er zijn gewoon dingen die we niet willen terugdraaien (zoals de subsidies voor de universiteiten zodat ook arme jongeren kunnen studeren), dus we kunnen het verleden niet exact reproduceren. Maar wat kunnen we dan wel doen?

McKinsey's rapport geeft een aantal aanbevelingen gebaseerd op hun observaties van wat internationaal werkt. Allereerst bevelen ze aan wat Nederland al een tijd geleden gedaan heeft: de startsalarissen van het onderwijs weer op één lijn brengen met de startsalarissen in andere sectoren, daarmee draaien ze gelukkig het afknijpeffect weer gedeeltelijk terug (voor de nieuwsgierigen onder jullie: over een hele carrière verdienen leraren minder dan andere mensen, omdat ze veel minder salarisverhoging krijgen. Maar als je eenmaal leraar geworden bent en het beroep leuk vindt, zijn salarisverhogingen niet zo belangrijk; beter eerst een redelijk salaris met weinig stijging dan een laag salaris met later veel stijging).

De tweede aanbeveling klinkt op het eerste gezicht onrealistisch: maak het weer moeilijk om leraar te worden. Dat klinkt absurd in een tijd waarin sommige scholen zo wanhopig zijn dat ze in staat zouden zijn elke langslopende volwassene te ontvoeren om les te laten geven. Toch is dit precies wat bijvoorbeeld in Amerika gebeurt, waar ze een programma 'teach for America' hebben. Het nodigt mensen uit voor twee jaar docent te worden in een arme wijk. Dat klinkt onaantrekkelijk. Maar... alleen de beste studenten van topuniversiteiten komen voor het programma in aanmerking. Om in het programma te komen moet je ongelofelijk goed zijn. En ineens is het leraarschap inplaats van een levenslange last een twee-jarige 'stint', die bovendien enorm goed staat op je CV (jij bent toegelaten tot Teach for America? Dat lukt maar 1 op de zoveel kandidaten! Fantastisch!) Het programma is een succes: ondanks hun relatief korte opleiding en het ontbreken van jarenlange onderwijservaring blijken de Teach-for-America-mensen bovengemiddeld goede docenten, waarschijnlijk omdat ze zo slim zijn en zo goed zijn geselecteerd. Het helpt echt als je docent een 'topper' is. En er zullen heus wat slimme jongeren blijven hangen, als ze ontdekken dat onderwijs best leuk kan zijn.

Met het lerarentekort is het voorlopig onrealistisch de algemene eisen die aan docenten worden gesteld op te schroeven. Maar een "top-programma onderwijs" dat alleen de beste afgestudeerden toelaat, zou wel een positieve impuls geven (McKinsey en de nationale denktank merken overigens op dat goede reclamecampagnes deze opvijzeling van het imago kunnen ondersteunen). En misschien, als er wat meer slimme mensen het onderwijs binnendruppelen, desnoods met status als "topleraar" dat het imago van onderwijs weer zo verbetert dat andere slimme mensen ineens minder gene voelen om leraar te worden, en dat het vak zichzelf weer langzaam uit haar moeras kan trekken.

Wie weet... misschien dat over twintig jaar een jonge man op zijn eerste date in een café zit en hij haar vertelt dat hij overweegt leraar te worden. "Zo... leraar worden? Weet je wel zeker dat je dat kan?" zal ze misschien opmerken. Maar in zichzelf zal ze denken "hij is in elk geval wel ambitieus!"

woensdag 15 juli 2009

De leuke school


Vorige week had ik een lunch met een van mijn voormalige studenten; we hadden het over zijn onderzoek, mijn onderzoek, onze levens, het talentonderzoek waar ik mee bezig was, en van alles en nog wat. Vlak voordat we allebei weer aan het werk zouden gaan, vroeg hij me, of ik, gezien mijn talent-onderzoek, dacht dat de "tweede fase" (dat wil zeggen: een school met meer nadruk op het leren opzoeken van feiten dan het leren van feiten zelf) een goed idee was. Ik heb toen geantwoord dat ik over geen enkel genie had gelezen die niet ontzettend veel wist over zijn of haar vakgebied, en dat het voor creativiteit nodig is feiten en ideeën met elkaar te combineren die je al kent, aan feiten die op internet staan maar niet in je hoofd zijn heb je niet bijzonder veel. Toch zou ik op basis van mijn onderzoek niet zeggen dat het hele 'tweede fase'-concept waardeloos is. Maar dat is een politiek gevaarlijke stelling, en ik had geen tijd die uit te leggen in de twee minuten dat we naar onze fietsen liepen. Vandaar dat ik het hier probeer.

Wat is het doel van school? Volgens de Russisch/Amerikaanse psycholoog Boris Sidis, die aan het begin van de 20e eeuw leefde (en overhoop lag met Freud en zijn aanhangers) zou het doel van de school de bevordering van genie moeten zijn: het creeëren van mensen die goed en kwaad, waarheid en leugen van elkaar kunnen onderscheiden. Mensen die kritisch denken en creatief zijn. Hij schreef er zelfs een boekje over, Philistine and Genius. Hij was er, op zijn zachtst gezegd, niet echt van overtuigd dat het toenmalige Amerikaanse schoolsysteem dat nastreefde. De Amerikaanse scholen waren zo gericht op het stampen van feiten, maar vooral op gehoorzaamheid en discipline, dat hij weinig verschil zag tussen de Amerikaanse scholen en de Duitse, die patriottisme erin stampten, afwijkende meningen streng straften, en hun scholieren klaarstoomden om als hersenloze pionnen van de Kaiser en zijn generaals in de loopgraven te moorden en te sterven, en de basis te leggen voor de "bevel is bevel"-cultuur van de oorlogsmisdadigers in de tweede wereldoorlog.

Boris Sidis legde het probleem vooral bij de scholen, en bij de leerkrachten ('de mierzoete, politiek correcte schoolmadam, de mandarijn-schoolmeester, de ongeletterde pedagoog en de pedantische rector met zijn 'neus voor zaken'), maar eerlijk gezegd leidden ook in zijn tijd de scholen slechts op voor een plaats in de maatschappij. Zoals de Amerikaande humorist en cynicus dr. Laurence Peter al opmerkte: een werknemer kan 'extern incompetent' zijn en 'intern incompetent'. 'Extern incompetente' mensen zijn leraren die geen les kunnen geven, loodgieters die geen kraan kunnen repareren, dokters die meestal verkeerde diagnoses stellen, etcetera. Interne incompetenten zijn de mensen die de geschreven of ongeschreven regels van een instituut breken; de mensen die weigeren hun superieur te gehoorzamen als hen wordt bevolen illegaal chemisch afval te dumpen omdat dat goedkoper is dan legale verwerking, de mensen die een aanvraag goedkeuren hoewel op pagina 17 van het formulier een kruisje ontbreekt, de mensen die 'geld verspillen' aan onderhoud van iets dat nog niet kapot is, de mensen die op een vergadering een andere mening hebben dan hun baas. Een extreem voorbeeld van interne incompetentie zijn de 'klokkenluiders', zoals de overheidsbioloog die bekend maakte dat de politiek van het ministerie zou leiden tot overbevissing en instorting van de visstand, of de politiemensen die de pers vertelden over de onschuldige mensen die door de politie in de gevangenis waren gestopt omdat de schuldigen van het misdrijf niet gevonden konden worden en de politiehoofden geen incompetente indruk wilde maken.

Een van de basale principes in onze maatschappij is dat extern incompetenten meestal nog worden getolereerd (tot er misschien een reorganisatie komt), maar dat de intern incompetenten zo snel mogelijk ontslagen worden. Het zijn van een kritisch en moreel persoon werd misschien wel op prijs gesteld door Boris Sidis, maar zeker niet door de gemiddelde manager. Dat is misschien jammer voor onze maatschappij, voor de patiënten die sterven omdat een verpleegkundige de foute diagnose van een arts niet durft aan te kaarten, en bijvoorbeeld voor de onschuldigen die in de gevangenis worden gestopt omdat de politiechef als daadkrachtig over wil komen ten opzichte van zijn superieuren, maar het is iets waar we gemeenschappelijk voor kiezen als een acceptabele prijs voor een geolied lopende maatschappij. Dat de Amerikaanse (en Europese) scholen aan het begin van de 20e eeuw de nadruk legden op gehoorzaamheid was waarschijnlijk met de beste bedoelingen om de kinderen later een baan te laten krijgen en succesvol te laten zijn in een bedrijfsleven waar ongehoorzaamheid of eigenwijsheid tot ontslag zou leiden.

Laten we nu een sprong maken naar Nederland, eind 20e eeuw. De overheid is niet tevreden met de scholen. De werkgevers klagen dat hun werknemers slecht opgeleid zijn en niet nadenken, wetenschappers waarschuwen dat met de groeiende concurrentie van goedkope arbeid in Zuidoost-Azië we het niet meer moeten hebben van hersenloos dronenwerk, maar van een 'kenniseconomie', vol hoogwaardige, goed opgeleide professionals die de ene na de andere innovatie moeten uitspuwen. Maar op de scholen lijken de meeste leerlingen te worden getraind in gedemotiveerd voor zich uit te staren, zesjes te halen en zo weinig mogelijk te leren. De ambtenaren van het ministerie van onderwijs (al is het misschien vooral interne competentie om hun daadkracht te laten zien) komen snel met een diagnose en een oplossing: iedereen zou gedemotiveerd worden van het hersenloos bergen feitjes moeten stampen voor een examen, kinderen zouden moeten leren leren, minder feitjes, meer zelfstandigheid.

Op zich was dat idee niet zo idioot: de meeste mensen besteden eerder tijd aan dingen waar ze zelf voor mogen kiezen of zelf een keuze in hebben; als ik je vraag een website te bouwen over jouw lievelingsonderwerp besteed je er waarschijnlijk meer tijd aan dan als ik je vraag een website te bouwen over de geschiedenis van de Transvaalse koekoeksklok. Zou de ideale school dan een school zijn waarin de leerlingen zelf kunnen bepalen wat ze leren, en dus spelenderwijs en gemotiveerd stof tot zich nemen?

Gelukkig hoef ik hier niet over te speculeren, de Iederwijs-scholen hebben dit experiment al gedaan. Zonder in de pijnlijke details te treden: volledige zelfstandigheid van de leerlingen is problematisch in onze huidige maatschappij met onze huidige exameneisen. Waarschijnlijk is het zelfs nooit een helemaal goed idee. School is allereerst waardevol omdat het kinderen blootstelt aan verschillende vakken en onderwerpen; het zou mogelijk zijn dat een 'Iederwijs'-kind nooit leert rekenen omdat hij dat niet tegenkomt, of geen schrijven leert, of scheikunde. Een schoolprogramma zorgt ervoor dat kinderen in elk geval basale vaardigheden krijgen die nuttig zijn in de maatschappij en hun latere leven. Als je dokter wil worden, is het handig als je kan lezen en iets van biologie weet, anders wordt de studie wel erg zwaar.

Ten tweede stijgt van nature ieder persoon naar een niveau dat voor hem of haar acceptabel is; de meeste mensen stoppen met oefenen en leren als ze vinden dat ze snel genoeg kunnen typen, goed genoeg kunnen tennissen, en redelijke presentaties geven. Toch is het in sommige gevallen beter als we niet de mensen zelf de minimumeisen laten stellen, maar de overheid. Zou je nog de weg opdurven als iedereen auto mocht rijden die zichzelf "goed genoeg" vond autorijden? Er is een reden voor die (helaas peperdure) rijlessen en rijexamens! Het is denk ik ook redelijk dat aan kinderen bepaalde minimumeisen in taal- en rekenvaardigheid worden gesteld, en, als je een gespecialiseerde studie als scheikunde gaat doen, een minimumvaardigheid in scheikunde, natuurkunde en wiskunde.

Een school is dus nuttig voor het zorgen dat leerlingen voldoende breed worden opgeleid, en dat ze een voldoende niveau hebben in bepaalde belangrijke vakken. Toch denk ik niet dat dat betekent dat de enige manier om dat te bereiken is met standaardboeken, een urenlang orerende docent, en het leerlingen op de vingers tikken als ze een vraag durven te stellen die niet in de eindexamenstof zit, of afbranden als ze een suggestie geven die op het eindexamen fout gerekend zou worden (bijvoorbeeld, als scheikundige zou ik BF3 een zuur kunnen noemen, maar dat zou op het examen zeker fout worden gerekend omdat dat te geavanceerd is en niet in de eindexamenstof staat).

Ik denk dat het grote probleem ligt in de vage definitie van 'voldoende'. Wat is voldoende breed opgeleid? Wanneer beheers je een schoolvak voldoende? Het gevaar van het huidige onderwijssysteem is dat de overheid optreedt als een "mannetje nooitgenoeg", dat altijd wil dat leerlingen méér en méér weten. Als leerlingen toch op school zitten, kun je er beter zoveel mogelijk instampen, toch? Meer kennis is altijd beter... Maar ik denk dat je met zulke ideeën moet oppassen. Nergens werkten leerlingen zo hard als in middeleeuws China, en in Japan gold in de jaren 80 nog de uitspraak "3 is slagen, 4 is falen", waarbij 3 en 4 stonden voor het aantal uren slaap per nacht dat je als middelbare scholier kon nemen wegens de enorme druk van de familie om hoge cijfers te halen zodat je naar een topuniversiteit kon gaan. Maar in China leerden de leerlingen uitsluitend wijze spreuken en poëzie, en stonden wetenschap, techniek en geneeskunde eeuwenlang stil. En de Japanse stampers konden nog niet eens Engels verstaan, laat staan een praatje geven op een internationaal congres. Je moet dus als overheid er erg bewust van zijn welke kennis je erin wilt stampen. Bovendien heb je, eerlijk gezegd, maar erg weinig algemene kennis nodig om te excelleren in een bepaald vakgebied. Einstein werd eens gevraagd wat de snelheid van het geluid was - hij wist het niet, zei hij, en waarom zou hij ook? Hij kon het gemakkelijk opzoeken. Als scheikundige en programmeur heb ik er weinig aan dat ik jaren heb gezwoegd op Franse woordjes.

Voor succes in je leven en je carriere gaat het er niet om dat je een beetje van alles weet, maar dat je genoeg van de belangrijke dingen weet om voldoende te kunnen functioneren in de maatschappij (en ik denk dat die kennis geen 12 jaar zou kosten om te leren), EN een heleboel van jouw eigen specialisme. Waarschijnlijk zou je met schooldagen van 4 uur per dag makkelijk de basale vaardigheden kunnen leren die nodig zijn èn het huiswerk kunnen doen, de rest van de tijd zou besteed kunnen worden om de langzamere leerlingen bij te spijkeren op de vakken die echt noodzakelijk zijn, en de andere leerlingen te laten werken aan projecten van hun keuze, of het nou het schrijven van een musical is, het zich bekwamen tot toptennisser, het opzetten van een internetbedrijf of alvast het vak quantummechanica op de universiteit te volgen. Vergeet het noodzakelijke curriculum niet, maar geef ook de leerlingen zelf keuzes; ik durf te wedden dat ze dan met meer plezier naar school gaan, meer leren, zelfstandiger worden en zich alvast op een nuttige manier kunnen specialiseren (of erachter komen welke richtingen helemaal niets voor hen zijn, wat weer verkeerde studiekeuzes voorkomt). Misschien dat het er ook voor zou zorgen dat de kinderen die later managers worden toleranter worden voor intelligente, creatieve en (een beetje) eigenwijze mensen! Maar zolang er ouders zijn die zo hoog mogelijke eindexamencijfers willen (in plaats van voldoende goede) en de overheid het schoolcurriculum voller en voller probeert te proppen, zullen we helaas niet weten of zo'n 'Ericwijs'-school echt zou werken*.



*er bestaan overigens tegenwoordig wel technasia, www.technasium.nl, die leerlingen regelmatig laten werken aan echte projecten (opdrachten van het bedrijfsleven) en daar ook een aantal uren per week voor uittrekken. Ik zou zelf nog moeten zien hoe de leerlingen het zelf ervaren, maar ik denk dat het een stap in de goede richting is.

dinsdag 9 juni 2009

Iedere dag toetjes eten

Laatst las ik in de wetenschapsbijlage van de NRC een stuk van Robbert Dijkgraaf, hoogleraar natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam en president van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen (waar alleen de beste van de beste Nederlandse wetenschappers lid van mogen worden). Hij had een aantal adviezen voor jonge wetenschappers (met als laatste advies overigens: "luister niet naar advies."), maar één daarvan was bijzonder opvallend: namelijk, dat wetenschap was als elke dag toetjes eten.

In een aantal opzichten heeft Robbert Dijkgraaf daarin wel gelijk: wetenschap is een van de weinige banen waar je geen baas of klanten hebt die je voorschrijven wat je moet doen, wanneer je het moet doen en hoe je het moet doen. Als wetenschapper kun je veel tijd besteden (niet alle, overigens, want je moet vaak ook lesgeven en hebt andere verplichtingen aan je werkgever) aan dingen die je interessant vindt te doen. Waar anders heb je zo'n vrijheid? Bijvoorbeeld: ik vind het leuk deze column te schrijven, ik kan hem schrijven zoals ik hem wil, maar ik word er niet voor betaald. Als ik een stuk voor de nieuwsbrief schrijf, word ik daar wel voor betaald, maar kan ik niet kiezen waarover ik het schrijf (ikzelf kan het onderwerp bijvoorbeeld oersaai vinden), en moet ik aan allemaal regeltjes voldoen hoe ik het schrijf. En de meeste mensen hebben dat: werk heeft veel saaie kanten, maar voor je hobbies word je niet betaald. Tenzij je wetenschapper bent. Dus wetenschap: iedere dag toetjes! Of toch niet?

Wel, het leven is niet altijd leuk in wetenschapsland, zeker als je begint. Een van de meest humoristische (maar helaas ook enigszins realistische) afspiegelingen van het leven van jonge wetenschappers zijn de cartoons van de serie "Piled Higher and Deeper" (http://www.phdcomics.com/), die het leven van een groep (fictionele?) promovendi weergeeft.


"Piled Higher and Deeper" schetst en nogal ontmoedigend beeld van wetenschap, en vooral van de promotietijd. Het onderzoek is saai, totaal nutteloos, de hoogleraar is totaal niet in jou geïnteresseerd of aanmoedigend en zet je alleen maar hard aan het werk om als een robot publicaties te produceren. Je maakt 80-urige weken, werkt hele nachten door, en houd je wegens je armetierige salaris in leven op een dieet van gratis eten en instantnoedels met vleessmaak.

Maar wat is nou de werkelijkheid? Het toetje of de tredmolen?

Wel, net als bij elke baan heeft een wetenschappelijke baan z'n leuke en minder leuke kanten. Soms doe je dingen die je leuk vindt, soms moet je dingen doen die je saai of vervelend vindt (zoals vergaderen, of zorgen dat alle afbeeldingen van je artikel binnen de voorgeschreven kantlijnen vallen). In Nederland tenminste hoeven AIOs geen onmogelijke uren te werken (al doen ze dat soms overigens wel), en het salaris is laag, maar als je echt in geld geïnteresseerd bent word je toch geen wetenschapper. Maar voor een deel komt Dijkgraaf's opmerking ook door het verschil in perspectief tussen professor en promovendus.

Een professor kan over het algemeen een onderzoeksonderwerp uitzoeken dat hij of zij interessant lijkt - een promovendus moet over het algemeen aan de slag met het onderwerp dat de professor uitgezocht heeft. Dat kan natuurlijk wel een interessant onderwerp zijn, maar het is nooit zo leuk als zelf iets bedenken. Ten tweede beslist een hoogleraar zelf wanneer hij iets heeft gemaakt dat goed genoeg is om op te sturen naar een wetenschappelijk tijdschrift. De gemiddelde promovendus zit te zuchten onder de vele rode penstrepen van zijn professor. Veel promovendi hebben het gevoel dat hun begeleider meer van hun vraagt dan ze aankunnen in een normale werkweek, en hebben het gevoel geen controle te hebben over hun werk of werklast. Een uitstekend recept voor stress, depressie, en uitstelgedrag.

Moet het leven van promovendi dan per definitie zo ellendig zijn als dat voorgespiegeld in "Piled Higher and Deeper"? Niet automatisch. Sommige promovendi zullen het geluk hebben dat ze een begeleider hebben die oprecht in hun wensen geïnteresseerd is, hen aanmoedigt zelf ideeën te bedenken en ermee te experimenteren, die er is als steun als het wetenschappelijk of persoonlijk tegenzit, en die promovendi niet behandelt als "melkkoeien" waar, inplaats van melk, artikelen uit moeten worden geperst en zo snel mogelijk voordat de promovendus is afgebrand en naar de slacht (lees: de WW of het bedrijfsleven) kan.

Maar zelfs als je pech hebt met je promotor kun je andere dingen doen dan alcoholist worden. Wat je ook doet: bedenk dat het ergste is ontslagen te worden van een baan die je haat, maar het is beter een baan in het bedrijfsleven te nemen of naar een andere universiteit te gaan dan een levensgroot risico lopen dat je niet promoveert, of zelfs als je wel promoveert, helemaal bent afgebrand op de wetenschap en een humeurige cynicus bent geworden. In niet-extreme gevallen van promotieleed is waarschijnlijk de beste eerste stap je promotieplaats te zien als baan, en gewoon je werk te doen, niets meer en niets minder. En vooral ook te beseffen dat je professor geen God is: als je professor je artikelen of je onderzoek afkeurt, betekent het vaak helemaal niet dat die artikelen slecht zijn, dat je nooit een goede wetenschapper zult worden, en dat je een beroerd onderzoeker bent. In de meeste gevallen heb je dan gewoon iets gedaan wat niet in de 'smaak' van de professor was. Sommige professoren houden van bergen voetnoten, andere houden van lange woorden, weer andere willen dat je referentielijst teruggaat naar de 18e eeuw... Het is ongelukkig als een professor anders over artikelen denkt dan jij, maar dat betekent niet dat jij het 'slecht' doet.

Dat wil niet zeggen dat promovendi automatisch alles goed doen: lees een boel in je vakgebied en denk er diep over na, maak zoveel aantekeningen als mogelijk en bediscussieer artikelen met een slimme collega die je vertrouwt, en je zult zelfs met de slechtste promotor ter wereld nog een heel fatsoenlijke wetenschapper worden.

En dan is er nog een idee waar promotoren waarschijnlijk een hekel aan zullen hebben: Google-uren [edit: Google heeft het principe van 'Google-uren' niet uitgevonden, het bestond vermoedelijk al langer, en Google is ook niet het enige bedrijf dat een soortgelijk principe hanteert; ik zal het hier alleen Google-uren noemen om een langere term te vermijden. Dank je voor deze gegevens, Daan!]. Het bedrijf Google staat werknemers toe om 20% van hun tijd te besteden aan hobbyprojecten (http://googleblog.blogspot.com/2006/05/googles-20-percent-time-in-action.html). Dat bevalt goed: de helft van Google's vindingen komt uit die "20%-tijd". Wat als AIOs ook voor 20% van hun tijd konden werken aan iets wat zijzelf het aller interessantst vonden? Waarschijnlijk zouden uitstellende AIOs ineens nieuwe ideeën krijgen, vrijwillig dingen gaan lezen, autoriteiten in het 'zijgebied' gaan opbellen. Kortom, ze zouden veel gemotiveerder worden, èn ze zouden ineens zichzelf opleiden tot zelfstandige wetenschappers, zoals eigenlijk ook het idee achter een promotieperiode is.

Ik betwijfel of universiteiten en hoogleraren graag zo'n 20%-regel invoeren. Immers, het lijkt de productiviteit van AIOs te verminderen. Maar zou dat echt zo zijn? Zouden de AIOs niet een beter humeur krijgen door elke dag aan iets van hun eigen voorkeur te werken? Zouden ze niet enthousiaster en creatiever worden, en werkelijk ook multidisciplinairder, verbanden leggend met andere vakgebieden? 'Gezond verstand' zou zeggen dat 80% van de tijd 'werken' 80% van de productiviteit zou opleveren. Maar 'gezond verstand' heeft het wel vaker bij het verkeerde eind. Ik hoop dat de universiteiten er snel mee gaan experimenteren.

zaterdag 6 juni 2009

EWL zaterdag 6 juni 2009 Goed worden en keuzes

De afgelopen maand heb ik weinig in dit blog geschreven. Dat komt niet omdat ik geen inspiratie had (de lijst met onderwerpen waarover ik wil schrijven groeit nog steeds dagelijks), maar omdat ik in een nieuw project verwikkeld ben geraakt waar nu bijna al mijn (toch altijd al zeldzame) vrije tijd naartoe gaat: hoe wordt iemand ergens GOED in. Daar is nog geen handleiding voor, maar de uren die ik over heb na proefschrift schrijven en musical schrijven en voor de universitaire nieuwsbrief schrijven gaan op op aan de studie van boeken, tijdschriften, en nadenken. En van de vele dingen die ik geleerd heb, weet ik één ding zeker: als je ergens goed in wilt worden moet je er veel tijd aan besteden.

Ik wil later erg goed worden in schrijven en vertellen over wetenschap; maar het lijkt me zeker de moeite waard om eerst goed te worden in goed worden, oftewel te begrijpen hoe ik zo goed mogelijk kan worden. Dus zullen er de komende tijd minder updates verschijnen dan de dagelijkse die jullie misschien gewend zijn geraakt. (Maar stuur gerust links naar jullie eigen wetenschappelijke blogposts, ik zou het leuk vinden die ook eens door te snuffelen!) Dit alles wil niet zeggen dat dit de laatste post op mijn blog zal zijn - er zijn nog steeds onderwerpen die in mijn brein branden om eruit te komen. Maar voorlopig waarschijnlijk in een lager tempo. Maar wie weet, over een maand of drie - ben ik misschien hard op weg de beste schrijver van wetenschappelijke verhalen ter wereld te worden. En jullie mogen die dan als eerste lezen...

maandag 18 mei 2009

Wetenschappelijke reflecties (4) - Maanblaffer-wetenschap

In 1967 verscheen het verhaal "De Maanblaffers" van Marten Toonder. Daarin wordt verteld hoe de leden van de S.O.P. (Sociale Ontwaak Partij) de gemeente Rommeldam waarschuwen tegen ongewenste vreemdelingen, zogenaamde 'Maanblaffers' die in de gemeenschap zijn geïnfiltreerd. Het gemeentebestuur geeft onmiddellijk de opdracht deze Maanblaffers op te sporen en op te sluiten, maar dat is niet zo eenvoudig. De Maanblaffers vermommen zich goed... dus hoe herken je ze?

De gemeentelijke psycholoog, doctorandus Zielknijper, krijgt de taak de Maanblaffers op te sporen. Hij heeft geen idee wat Maanblaffers zijn, maar hoort wel van SOP-leden dat men ze soms kan herkennen aan hun rode haren, hun grote voeten, of hun afwijkende driftgraad. Al snel zit de halve bevolking van Rommeldam achter de tralies omdat ze afwijkende driftgraden hebben, al worden hun functies in het sociale leven gelukkig al snel overgenomen door de ijverige leden van de Sociale Ontwaak Partij. Tòt heer Bommel en Tom Poes erachter komen dat de SOP-ers robots zijn, die net als het Maanblaffer-idee door de kwaadaardige geleerde Joachim Sickbock zijn bedacht om de macht in de stad over te nemen en de burgemeester en anderen onder de duim te houden door te dreigen hun driftgraden te meten. Als Zielknijper geconfronteerd wordt met de robots en het verzonnen verhaal, is hij geschokt, en roept uit: "Er moet een vreselijke, wetenschappelijke vergissing begaan zijn." Maar dat is zijn laatste fout voor hij ontslagen wordt uit de gemeentelijke gezondheidszorg: zijn vergissing was allesbehalve wetenschappelijk.

Als je een wetenschappelijke meting of diagnose wilt uitvoeren, moet die meting aan verschillende voorwaarden voldoen, zoals uit het verhaal van de Maanblaffers blijkt (waar die regels met voeten getreden worden). Allereerst moet je precies weten wat je meet, je moet je metingen kunnen controleren. Doctorandus Zielknijper wist helemaal niet wat Maanblaffers waren: buitenaardse wezens? Buitenlanders? Leden van een sekte? Idealiter heb je als wetenschapper een objectieve (hoewel misschien dure) test die kan achterhalen of iemand een Maanblaffer is. Bijvoorbeeld, als Maanblaffers buitenaardse wezens zijn, zou je dat moeten kunnen zien aan hun DNA. Als ze buitenlanders zijn, misschien ook, of doordat ze een andere taal verstaan (hersenactiviteitsmetingen). Als ze een gewone sekte of terroristische groep zijn, helpt fysiologisch of psychologisch onderzoek je geen zier (terroristen en andere misdadigers zijn meestal geestelijk volkomen normaal). Voor terroristen en dergelijke moet je dus gewoon politieonderzoek doen, psychologisch onderzoek helpt daarbij niet. De eerste fout die Zielknijper had gemaakt was dus dat hij geen objectief meetbaar, duidelijk gedefinieerd doel had.

De tweede fout die Zielknijper maakte vloeide daaruit voort. Hoewel je rode haren misschien wel objectief kunt vaststellen, heb je voor 'grote voeten' een wat objectiveerbaardere maat nodig (wat is een normale of overmatige voetgrootte voor een man, vrouw of kind?) Zijn mannen met schoenmaat 44+ sowieso verdacht? Of ligt de grens bij maat 47? Het grootste probleem lag echter bij het meten van de zogenaamde 'driftgraden'. Daarbij goot de onderzoeker eerst een flesje met drab over het hoofd van de verdachte persoon, vervolgens gooide hij er een rookbom naar. Tenslotte schold hij de verdachte uit voor slijmjurk en moordenaar.

Het probleem hierbij was natuurlijk dat de driftgraad noch gekwantificeerd werd (als iemand rood aanloopt, ben je dan 1, 2 of 3 punten driftig?) en ook niet in categoriën onderverdeeld (categorie 1: schenkt geen aandacht aan onderzoeker. Categorie 2: schenkt aandacht aan onderzoeker, maar onderneemt geen actie. Categorie 3: verbaal uitschelden. Categorie 4: lichamelijk aanvallen). Zonder een dergelijke kwantificatie en categorisatie (èn onderzoek zodat je weet wat de gemiddelde driftgraad is van de bevolking) is een driftgraadmeting waardeloos en nutteloos.

Nu is het goed mogelijk dat je dit een leuke verklaring vindt voor waarom bepaalde experimenten niet werken, maar vraag je je misschien af wat een stripverhaal als dit met de werkelijkheid te maken heeft. Echte wetenschappers zijn toch niet zo dom?

Het antwoord is: soms wel, en vooral als het psychologen en psychiaters zijn.

Neem bijvoorbeeld de procedures voor het herkennen van ADHDers (waarvan er veel meer lijken te zijn dan we vroeger dachten). Wanneer is iemand ADHDer? Er is wel een definitie (kind let slecht op in de klas), en daar vallen in Nederland ongeveer 3% van de kinderen onder. Maar toen ADHD-onderzoekers naar China gingen en praatten met Chinese leerkrachten, zeiden de Chinese docenten dat zij zo'n 30% ADHDers hadden. Geschokt en verbaasd bezochten de ADHD-experts de Chinese klas, maar konden tot hun verbazing geen ADHDers zien. In tegendeel: de kinderen letten voorbeeldig op. Toen ze de Chinese docenten na afloop confronteerden waren DIE verbaasd "Zagen jullie dan niet dat bijvoorbeeld Jiangfeng wel twee keer uit het raam heeft gekeken? Als dat geen kind met een aandachtsstoornis is..."

Zoals je ziet, krijg je al snel over- of onderdiagnoses als je "aandachtigheid" niet kwantificeert, geen objectief te meten cijfer geeft. Bovendien moet je zeker bij mensen hun gedrag verschillende keren meten: als Jan-Peter vrijdagmiddag het achtste uur moet luisteren naar een lezing over middeleeuwse literatuur, of als Marietje verliefd is, of als Bas zich wat ziek begint te voelen omdat hij een griep heeft opgelopen, kunnen die kinderen tijdelijk "aandachtsgestoord" lijken, je hebt dus altijd meerdere observaties nodig.

ADHD is helaas niet de enige 'slecht wetenschappelijk gedefinieerde' categorie. De situatie bij autisme is zo mogelijk nog erger. Een standaardboek beweert bijvoorbeeld dat je een autistisch kind vaak kunt herkennen omdat het een bijzonder slordige la heeft, of juist een bijzonder nette la. Wat later wordt opgemerkt dat als het normaal gedrag vertoont ("lijkt te vertonen") door bijvoorbeeld een normaal uitziende la te hebben, dat het dan zijn of haar in werkelijkheid afwijkende aard aan het "maskeren" is door zich 'normaal' te gedragen. Het moge duidelijk zijn dat bijvoorbeeld zo'n la-criterium allereerst niet gekwantificeerd (en moeilijk objectiveerbaar) is (wat is de kwantificeerbare opruimingsgraad van een la? 1%, 50%, 90%?), ten tweede kan ELKE toestand van een la een argument zijn voor autisme of die diagnose op zijn minst niet tegenspreken - een 'la-observatie' in deze vorm is wetenschappelijk gezien dus volkomen nutteloos en ook letterlijk 'onwetenschappelijk'.

Deze onwetenschappelijkheid van bepaalde takken van de psychiatrie is niet alleen een theoretisch probleem: het leidt ook tot problemen in de praktijk, die soms zelfs absurd zijn. Zo was er eens een groep psychologen die onderzoek wilde doen naar de interactie tussen staf en patiënten in een psychiatrisch ziekenhuis, en om dat zo onopvallend mogelijk te doen lieten ze zichzelf daarom 'opnemen' als patiënten. De psychiaters die daar werkten vonden het eerst wel raar dat de nieuwe patiënten continu aantekeningen aan het maken waren, maar waren daar al snel aan gewend. Het zou wel bij hun syndroom horen. Het probleem kwam echter toen de psychologen weer naar huis wilden. Wàt ze ook zeiden, de psychiaters waren er heilig van overtuigd dat het geen echte psychologen waren, maar gewoonweg geestelijk gestoorden met 'psychologenwaan', die 'obsessief schrijfsyndroom' vertoonden. Uiteindelijk werden de psychologen pas bevrijd toen hun familie en collega's in actie kwamen.

Het moge uit de bovenstaande verhalen duidelijk zijn dat 'gekte' of afwijkingen nog niet altijd wetenschappelijk degelijk en duidelijk zijn gedefinieerd. Maar het is misschien ook oneerlijk dat van de psychiatrie te eisen. In de zestiende eeuw kon een vooraanstaande chemicus nog met droge ogen beweren dat de 'vuurstof' (flogiston) echt bestond, en dat die, afhankelijk van het oorspronkelijke brandbare materiaal, ìets woog, niets woog, of minder dan niets woog. Naarmate er meer kennis kwam en scheikundigen meer en beter onderzoek deden, werden zulke sprookjes langzamerhand weggeveegd. Geneeskunde, dat complexer is, werd pas later verwetenschappelijkt, rond het einde van de 19e eeuw toen Pasteur de rol van microben in ziektes begon te ontdekken. Psychiatrie heeft het nog moeilijker dan gewone geneeskunde (je kunt de hersenen van een mens immers niet direct waarnemen), maar ik verwacht dat met hersenscans en genetische tests de huidige criteria voor afwijkingen als ADHD en autisme binnen 20-30 jaar in routine objectiveerbaar en kwantificeerbaar zullen worden. De psychiaters doen zeker hun best, maar voorlopig moeten ze nog blijven werken aan verbetering en verwetenschappelijking van hun gebied. Want voorlopig lopen er nog steeds teveel goedbedoelende zielknijpers rond die door hun schijnwetenschappelijke aanpak meer problemen veroorzaken dan ze oplossen. Het zal waarschijnlijk nog jaren duren voordat de psychiatrie net zo degelijk wetenschappelijk onderbouwd is als de scheikunde of biologie. Maar in de tussentijd zou een groter bewustzijn bij psychiaters en behandelaars van wat wetenschappelijk denken nou eigenlijk is, en wat je wel en niet kan weten, alvast heel veel helpen.