Toen ik op de middelbare school zat moest ik veel woordjes leren. Engelse woordjes, Franse woordjes, Duitse woordjes, Latijnse woordjes en Griekse woordjes. Dat was op zich niet erg - gewoon de lijsten een paar keer herhalen met de hand op de ene helft - maar bijzonder boeiend was het niet. En ik durf er nauwelijks aan te denken hoeveel van de zorgvuldig gestampte woorden ik tegenwoordig weer kwijt ben. Maar je wist niet beter: de leraar zei gewoon: leer deze woordjes, en dat deed je dan. Door herhalen, herhalen, herhalen. Toen wist ik nog niet (en mijn leraren waarschijnlijk ook niet) dat het veel beter kon.
Op school train je je geheugen meestal wel, maar je leert bijna niets over hoe je je geheugen nou optimaal gebruikt. Toen ik rond mijn 20ste eindelijk boeken begon te lezen over geheugentraining, besefte ik dat ik al die jaren op de middelbare school nogal klungelig bezig was geweest.
Woordjesstampen WERKT namelijk wel, maar het is te vergelijken met het in je Ferrari over de snelweg te willen rijden waarbij je niet op het gaspedaal trapt, maar je dure auto laat voorttrekken door een stoomwals. Het werkt wel, maar echt efficient is het niet. Het menselijk geheugen kan woorden onthouden - maar nog veel beter onthoudt het plaatjes en volgordes. Nu ik Japans aan het leren ben pak ik het woordjesleren dus heel anders aan.
Ik gebruik nu namelijk de kapstokmethode. Dat wil zeggen dat ik een "kapstok" voor mijn geheugen maak, en aan elk haakje hang ik een paar beelden die met het woord te maken hebben.
Kapstokmethoden werken vaak met een nummer->lettersysteem. Het bekendste systeem is het volgende:
0 -> s/z
1 -> d/t
2 -> n
3 -> m
4 -> r
5 -> l
6 -> ch/sj/j
7 -> k/g
8 -> f/v
9 -> b/p
w, h en klinkers worden niet omgezet tot cijfers, ze dienen slechts tot 'vulling'
Met bovenstaande code kun je lijsten maken waarin elk getal gesymboliseerd kan worden door een woord. In het engels is 1 bijvoorbeeld "day", twee "noah", drie "ma"... en zo kun je doorgaan 23 "name" 78 "cave", 101 "dust"... Tony Buzan heeft in zijn boek "Use your memory" zelfs een lijst van 1 tot 999. Als je dat boek niet hebt kun je echter op internet gelukkig ook mogelijke vertalingen vinden (http://www.the-number-thesaurus.com/)
Maar hoe werkt dat nu voor woordjes? Wel, ik maak een lijst met woordjes die in het boek voorkomen. Het eerste woord in mijn boek Japans is "rei" (uitgesproken als het Engelse "ray"/ in onze taal "ree"), wat "nul" betekent. Omdat het het eerste woord is stop ik het in het eerste vakje, "day". Ik stel me bij "day" de zon voor, waar in dit geval een luikje in opengaat en een ree naar de aarde vliegt, die met laserstralende ogen (straal="ray" in het Engels) een grote "0" op de grond brandt. Dit beeld is onrealistisch en belachelijk, maar belachelijke beelden zijn veel beter te onthouden dan alledaagse gebeurtenissen.
Deze techniek kun je ook op andere woorden toepassen, al heb je er soms originaliteit voor nodig, bijvoorbeeld mijn woord nummer 28 ("navy") is "hajimemashite", wat ik dan als een marine-matroos voorstel die ineens in paniek raakt omdat er een haai in zijn manchet zit (haai-in-me-manchette). Hoewel het normaal wat moeite kost om een goed beeld te vinden, zeker voor ingewikkelder woorden, zit het woord ook rotsvast in mijn geheugen als ik eenmaal een pakkend beeld heb. Misschien moet ik nog één of twee keer herhalen, maar zeker niet de tientallen keren dat dezelfde woordenlijst mijn neus passeerde bij het leren voor proefwerken.
Het enige bezwaarpunt tegen het nummersysteem is dat je als middelbare scholier veel meer dan 999 dingen moet onthouden voor het eindexamen - is zo'n vakjessysteem dan wel genoeg? Wel, in de praktijk is het niet al te moeilijk één rij vakjes in te zetten voor "Japans" en een andere rij vakjes voor andere talen of andere vakken. Het denken aan "Japans" is doorgaans al genoeg, al kun je het in theorie nog opsplitsen door bij je Engelse woordjes je lerares Engels in het plaatje te laten voorkomen, bij je Duitse woordjes je leraar Duits. Zo kun je bijvoorbeeld als het eerste woord dat je voor Engels leert "hello" is en het eerste Duitse woordje "bitte", in het eerste geval je lerares Engels die de zon begroet laten achtervolgen door een uit de zon komend brandend en met duivels gevuld Paleis het Loo (Hel-loo), en de docent Duits die de zon aan het smeken is een stapel bieten ("biet-te") op de kop te gooien. Leren is nog nooit zo leuk geweest.
dinsdag 7 april 2009
maandag 6 april 2009
1D2D3D
Toen ik zelfstandig ging wonen was één van de eerste vraagstukken waar ik me mee bezig moest houden hoe ik mijn bestek-la het beste in kon delen. Het is bij bestek misschien logisch links de vorken te leggen, in het midden de messen en rechts de lepels, maar wat doe je dan met de kaasschaaf, de rasp, de appelboor, de fijnschiller? Waar horen die?
Ik heb dat toen opgelost door mijn bestek in te delen naar de dimensies van het actieve oppervlak: een vork werkt met punten die zich ergens in boren (een punt is 0-dimensionaal), een mes werkt met een lijn (1-dimensionaal), een kaasschaaf eigenlijk ook. Een lepel werkt wegens zijn platheid, en is dus 2-dimensionaal. Ik deed dus 0-dimensionaal keukengerei links, 1-dimensionaal in het midden en 2-dimensionaal rechts. Probleem opgelost (zij het op misschien een wel erg nerd-ige manier)
Op het eerste gezicht zijn dimensies niet bijzonder boeiend. Een punt heeft 0 dimensies, "so what"? Weinig mensen zien er het belang van in. Zo zat ik eens in een college filosofie, waarin de hoogleraar vroeg of de ruimte wel bestond, of alleen bestond als er iets inzat. Toen heb ik geantwoord dat ruimte wel MOEST bestaan, omdat een punt die in een 1 dimensionale ruimte zit alleen maar voor- en achteruit kan, en een punt in een 3-dimensionale ruimte naar voor en achteren kan, naar links en rechts, en naar boven en beneden. In elk geval moet in de wiskunde dus zoiets als ruimte bestaan.
Nu zeg je misschien: "leuk. Punt = 0-dimensionaal. Lijn is 1-dimensionaal (m), oppervlak is 2-dimensionaal (m2) inhoud is 3-dimensionaal (m3). Boeiend... maar niet heus." Maar als je dat denkt heb je het boek "Flatland" (Nederlands: Platland) niet gelezen. Dat boek wordt verteld door een vierkant dat in een platte wereld leeft. Probeer je het voor te stellen: de wereld is als een enorm vel tekenpapier. Afgezien van de opvallende gewoonten van de "Platlanders" die verdacht veel lijken op die van de Engelsen in de tijd dat Edwin Abbott het schreef is het interessant om je voor te stellen hoe het zou zijn in zo'n wereld te wonen. Het enige wat je ziet is als het ware één grote lijn met verschillend gekleurde stukjes.
De ongelukkige hoofdpersoon, A. Square, is in Platland getuige van het bezoek van een bol. Nu lijkt het moeilijk voor te stellen hoe de platlanders een bol zouden zien, maar stel je een bol voor die door een vel tekenpapier heenzweeft. Eerst verschijnt er een punt, die een kleine cirkel wordt, die een grote cirkel wordt, die weer kleiner wordt totdat hij tenslotte weer verdwijnt. Het is voor de Platlanders net een onverklaarbare goocheltruc!
Platland geeft daarmee ook een idee hoe wij zouden reageren als een 4-dimensionale bol òns zou bezoeken. Eerst zouden we een punt zien, dan een kleine bal die snel groter wordt, en dan weer kleiner wordt voordat hij weer spoorloos verdwijnt. Een vijf- of tiendimensionale bal op doorreis zou er overigens net zo uitzien, omdat we toch nooit meer dan 3 dimensies kunnen zien.
Een vierdimensionaal wezen zou net zo naar ons kunnen kijken als wij naar de Platlanders. Wij zouden hart van een Platlander kunnen opereren zonder dat de huid van de Platlander beschadigd wordt - en net zo zou een 4-dimensionele bankovervaller de kluis kunnen legen zonder dat de kluis beschadigd wordt of de deur van het slot gaat, om vervolgens met de buit in het niets te verdwijnen, naar een parallelle dimensie waar geen politieagent hem kan volgen.
Nu zijn 5 en meer-dan-5-dimensionale ruimten vooral speelgoed voor wiskundigen, waarvan sommigen de onvoorstelbare mentale prestatie volbrengen in meer dan 3 dimensies te kunnen denken. Sommige wiskundigen kunnen zelfs bewijzen of een bepaalde zes-dimensionale knoop te ontwarren is! Maar vier dimensies lukt ons allemaal wel: de tijd is bijvoorbeeld een vierde dimensie, en je zou een mensenleven kunnen beschouwen als een film waarin een mens niet alleen telkens een plaats in onze drie-dimensionale wereld heeft, maar ook een tijd; de film zou je vooruit kunnen spoelen en terug kunnen spoelen, slechts wij drie-dimensionalen kunnen niet zo gemakkelijk naar het verleden reizen.
Als je meer wilt weten over Platland, het is te downloaden (bijvoorbeeld hier), al moet ik je waarschuwen dat het niet goed afloopt met hoofdpersoon A. Square omdat zijn regeringsleiders niet in de ketterij van hogere dimensies geloven. Nu denk ik niet dat Balkenende zich druk maakt over vierde of vijfde dimensies. Er zijn geen meerdimensionale dieven nodig om de regeringstekorten te verklaren. Mocht je echter van plan zijn Balkenende voor de zekerheid toch te waarschuwen maar voordat je dat kunt doen er geld verschijnt in je gesloten portemonnee - mondje dicht hè? Vrienden op hoge plaatsen kunnen handig zijn, maar lieden met hogere dimensies kun je zeker maar beter te vriend houden...
Ik heb dat toen opgelost door mijn bestek in te delen naar de dimensies van het actieve oppervlak: een vork werkt met punten die zich ergens in boren (een punt is 0-dimensionaal), een mes werkt met een lijn (1-dimensionaal), een kaasschaaf eigenlijk ook. Een lepel werkt wegens zijn platheid, en is dus 2-dimensionaal. Ik deed dus 0-dimensionaal keukengerei links, 1-dimensionaal in het midden en 2-dimensionaal rechts. Probleem opgelost (zij het op misschien een wel erg nerd-ige manier)
Op het eerste gezicht zijn dimensies niet bijzonder boeiend. Een punt heeft 0 dimensies, "so what"? Weinig mensen zien er het belang van in. Zo zat ik eens in een college filosofie, waarin de hoogleraar vroeg of de ruimte wel bestond, of alleen bestond als er iets inzat. Toen heb ik geantwoord dat ruimte wel MOEST bestaan, omdat een punt die in een 1 dimensionale ruimte zit alleen maar voor- en achteruit kan, en een punt in een 3-dimensionale ruimte naar voor en achteren kan, naar links en rechts, en naar boven en beneden. In elk geval moet in de wiskunde dus zoiets als ruimte bestaan.
Nu zeg je misschien: "leuk. Punt = 0-dimensionaal. Lijn is 1-dimensionaal (m), oppervlak is 2-dimensionaal (m2) inhoud is 3-dimensionaal (m3). Boeiend... maar niet heus." Maar als je dat denkt heb je het boek "Flatland" (Nederlands: Platland) niet gelezen. Dat boek wordt verteld door een vierkant dat in een platte wereld leeft. Probeer je het voor te stellen: de wereld is als een enorm vel tekenpapier. Afgezien van de opvallende gewoonten van de "Platlanders" die verdacht veel lijken op die van de Engelsen in de tijd dat Edwin Abbott het schreef is het interessant om je voor te stellen hoe het zou zijn in zo'n wereld te wonen. Het enige wat je ziet is als het ware één grote lijn met verschillend gekleurde stukjes.
De ongelukkige hoofdpersoon, A. Square, is in Platland getuige van het bezoek van een bol. Nu lijkt het moeilijk voor te stellen hoe de platlanders een bol zouden zien, maar stel je een bol voor die door een vel tekenpapier heenzweeft. Eerst verschijnt er een punt, die een kleine cirkel wordt, die een grote cirkel wordt, die weer kleiner wordt totdat hij tenslotte weer verdwijnt. Het is voor de Platlanders net een onverklaarbare goocheltruc!
Platland geeft daarmee ook een idee hoe wij zouden reageren als een 4-dimensionale bol òns zou bezoeken. Eerst zouden we een punt zien, dan een kleine bal die snel groter wordt, en dan weer kleiner wordt voordat hij weer spoorloos verdwijnt. Een vijf- of tiendimensionale bal op doorreis zou er overigens net zo uitzien, omdat we toch nooit meer dan 3 dimensies kunnen zien.
Een vierdimensionaal wezen zou net zo naar ons kunnen kijken als wij naar de Platlanders. Wij zouden hart van een Platlander kunnen opereren zonder dat de huid van de Platlander beschadigd wordt - en net zo zou een 4-dimensionele bankovervaller de kluis kunnen legen zonder dat de kluis beschadigd wordt of de deur van het slot gaat, om vervolgens met de buit in het niets te verdwijnen, naar een parallelle dimensie waar geen politieagent hem kan volgen.
Nu zijn 5 en meer-dan-5-dimensionale ruimten vooral speelgoed voor wiskundigen, waarvan sommigen de onvoorstelbare mentale prestatie volbrengen in meer dan 3 dimensies te kunnen denken. Sommige wiskundigen kunnen zelfs bewijzen of een bepaalde zes-dimensionale knoop te ontwarren is! Maar vier dimensies lukt ons allemaal wel: de tijd is bijvoorbeeld een vierde dimensie, en je zou een mensenleven kunnen beschouwen als een film waarin een mens niet alleen telkens een plaats in onze drie-dimensionale wereld heeft, maar ook een tijd; de film zou je vooruit kunnen spoelen en terug kunnen spoelen, slechts wij drie-dimensionalen kunnen niet zo gemakkelijk naar het verleden reizen.
Als je meer wilt weten over Platland, het is te downloaden (bijvoorbeeld hier), al moet ik je waarschuwen dat het niet goed afloopt met hoofdpersoon A. Square omdat zijn regeringsleiders niet in de ketterij van hogere dimensies geloven. Nu denk ik niet dat Balkenende zich druk maakt over vierde of vijfde dimensies. Er zijn geen meerdimensionale dieven nodig om de regeringstekorten te verklaren. Mocht je echter van plan zijn Balkenende voor de zekerheid toch te waarschuwen maar voordat je dat kunt doen er geld verschijnt in je gesloten portemonnee - mondje dicht hè? Vrienden op hoge plaatsen kunnen handig zijn, maar lieden met hogere dimensies kun je zeker maar beter te vriend houden...
zondag 5 april 2009
EWL Zondag 5 april 2009 - tante Jopie
Vandaag heb ik met mijn moeder door het bos gewandeld, ik heb een Donald Duck gelezen, ik heb een interview met een collega uitgewerkt - maar voor mij was de belangrijkste gebeurtenis dat ik mijn oudtante Jopie bezocht.
Wel, ze is eigenlijk mijn stief-oudtante, omdat ze de zus is van mijn stief-grootmoeder. Maar ze heeft me nooit "stiefelijk" behandeld. Integendeel, ze hield van bezoek en was bijna altijd vrolijk, zelfs al werd ze bijna blind door maculadegeneratie. Ik heb ouderen om veel minder veel meer horen klagen.
Maar dan gebeurt het noodlot. Vorig jaar struikelde ze (was ze even duizelig door de hypoglykemie?) brak haar heup, kwam in het ziekenhuis. Een wond bij een 87-jarige suikerpatiënte heelt niet snel. Naar een verpleegtehuis om op te knappen, toen naar een ander verpleegtehuis, toen eindelijk weer naar huis, al moest ze nog steeds met looprekjes lopen.
Afgelopen donderdagnacht viel ze weer. Weer een duizeling? Niets gebroken, maar kon niet meer van de grond opkomen. Ademhaling was moeilijk. Vandaag hoorde ik dat haar hartkleppen niet goed meer werken. Waren die de afgelopen jaren langzaam aan het verslijten geweest, tot het punt bereikt was, het 'tipping point' waarvoorbij ze het ineens niet meer goed deden?
Een 87-jarige met kapotte hartkleppen opereer je niet meer. Het klinkt wreed, maar de kans dat zo iemand de operatie overleeft zijn klein, en voor hetzelfde geld kan de gezondheidszorg veel meer jaren redden bij een nog niet versleten iemand. Tante Jopie is op het zuurstof gezet, maar goed wordt het niet meer. Ze heeft te laag zuurstofgehalte in het bloed, wat ervoor zal zorgen dat haar oude organen extra gestresst worden - en langzaam kapot zullen gaan.
Tante Jopie is rustig nu. Ze denkt dat ze gaat sterven. De dokter denkt het ook. Een paar dagen? Een week? Twee weken? Tante Jopie is niet bang voor de dood. Haar kleinkinderen zijn geweest. Ze was blij ze te zien, zoals ze altijd was.
Wel, ze is eigenlijk mijn stief-oudtante, omdat ze de zus is van mijn stief-grootmoeder. Maar ze heeft me nooit "stiefelijk" behandeld. Integendeel, ze hield van bezoek en was bijna altijd vrolijk, zelfs al werd ze bijna blind door maculadegeneratie. Ik heb ouderen om veel minder veel meer horen klagen.
Maar dan gebeurt het noodlot. Vorig jaar struikelde ze (was ze even duizelig door de hypoglykemie?) brak haar heup, kwam in het ziekenhuis. Een wond bij een 87-jarige suikerpatiënte heelt niet snel. Naar een verpleegtehuis om op te knappen, toen naar een ander verpleegtehuis, toen eindelijk weer naar huis, al moest ze nog steeds met looprekjes lopen.
Afgelopen donderdagnacht viel ze weer. Weer een duizeling? Niets gebroken, maar kon niet meer van de grond opkomen. Ademhaling was moeilijk. Vandaag hoorde ik dat haar hartkleppen niet goed meer werken. Waren die de afgelopen jaren langzaam aan het verslijten geweest, tot het punt bereikt was, het 'tipping point' waarvoorbij ze het ineens niet meer goed deden?
Een 87-jarige met kapotte hartkleppen opereer je niet meer. Het klinkt wreed, maar de kans dat zo iemand de operatie overleeft zijn klein, en voor hetzelfde geld kan de gezondheidszorg veel meer jaren redden bij een nog niet versleten iemand. Tante Jopie is op het zuurstof gezet, maar goed wordt het niet meer. Ze heeft te laag zuurstofgehalte in het bloed, wat ervoor zal zorgen dat haar oude organen extra gestresst worden - en langzaam kapot zullen gaan.
Tante Jopie is rustig nu. Ze denkt dat ze gaat sterven. De dokter denkt het ook. Een paar dagen? Een week? Twee weken? Tante Jopie is niet bang voor de dood. Haar kleinkinderen zijn geweest. Ze was blij ze te zien, zoals ze altijd was.
zaterdag 4 april 2009
De vakgroep (4/7) – de postdoc
Toen ik nog zangles had heb ik me blauw geoefend op een lied dat gebaseerd was op een gedicht van Robert Louis Stevenson (de schrijver van “Schateiland”). Dat lied ging over een vagebond die gelukkig was met zijn vrijheid, slapend onder de sterren, de hele wereld doortrekkend. Het was een mooie tekst, maar ik betwijfel ten zeerste of de dak- en thuislozen die elke dag bij mijn Albert Heijn rondhangen het met R.L. Stevenson eens zouden zijn. En van postdocs weet ik het helemaal niet.
Een postdoc (post-doctoraat, oftewel iemand die al een proefschrift geschreven heeft) is een zwerfwetenschapper. Een postdoc gaat naar een universiteit, blijft daar één, twee of drie jaar, en moet daarna over het algemeen een andere universiteit opzoeken voor werk.
Het idee achter een postdoc is eigenlijk erg goed: een jonge wetenschapper die net gepromoveerd is (en een jaar of 28, 29 is) kan zo een jaar of twee ervaring opdoen in een gerenommeerd buitenlands laboratorium, en daar nieuwe dingen leren, nieuwe contacten leggen, met nieuwe ideeën in aanraking komen. Je wordt er waarschijnlijk een betere wetenschapper van. Dat is waarschijnlijk ook waarom universiteiten bijna altijd willen dat kandidaten voor een professorschap niet alleen maar aan één universiteit zijn gebleven, maar ook wat zijn rondgetrokken.
Dus een postdoc in het buitenland kan erg leerzaam zijn, en ook nog je carrière vooruithelpen. Het is daarom voor bijna alle wetenschappers een goed idee na hun promotie te gaan 'postdoccen' als ze verder willen in de wetenschap. Maar dat wil niet zeggen dat het postdocsysteem alleen maar plezierig is.
Een praktisch probleem is dat de meeste wetenschappers van eind twintig/begin dertig al een relatie hebben, waarbij de partner niet alleen werkt, maar bijna altijd ook nog veel meer geld verdient dan de postdoc. En in tegenstelling tot universiteiten zijn de meeste bedrijven en overheidsinstellingen niet blij als iemand voor twee of drie jaar naar het buitenland vertrekt. Het regelen van vervangers, pensioengat etc... Wat er dus kan gebeuren is dat de postdoc haar vriend of zijn vriendin een paar jaar lang maar eens in de paar maanden kan opzoeken. Nu kan een relatie dat wel overleven (immers, veel zeelui zijn ook getrouwd), maar het is natuurlijk niet prettig. En zelfs als de postdoc nog redelijk dichtbij is, kan het heen en weer reizen ook voor veel stress zorgen– een professor die ik eens interviewde vertelde dat hij zijn postdoc in Parijs deed, en elke twee weken een weekend met de trein naar Nederland ging. In de trein kon je niet veel slapen, en in dat weekend waren al zijn sociale activiteiten geconcentreerd. Een vermoeiende tijd.
Maar het grootste probleem voor postdocs is wat te doen nà hun postdoc. Het is vaak moeilijk aan de universiteit een vaste baan als UD of zelfs een "tenure track"-positie te krijgen. Want er zijn veel meer postdocs dan vacatures voor vast personeel. Een paar gelukkige postdocs hebben al een vaste baan aangeboden gekregen – zelfs voordat ze met hun postdoc begonnen, een paar andere gelukkige postdocs zijn zo goed (of hebben zoveel geluk) dat ze een baan aan een universiteit vinden, maar de resterende 70-80-% van de postdocs moet een keuze maken: moet ik nog een postdoc nemen in de hoop dat ik in die tijd wèl een permanente positie vind, of kan ik maar beter stoppen met academisch onderzoek nu ik nog jong genoeg ben om een baan in het bedrijfsleven te vinden? En dat is geen prettige positie, vooral omdat de grote meerderheid van postdocs aan de universiteit wil blijven werken.
Maar ja, universiteiten zelf zitten ook niet te springen om postdocs van 40+.
Onder jonge wetenschappers wordt dus veel gediscussieerd over het postdoc-systeem. Er zijn postdocs die vinden dat universiteiten veel teveel jong en tijdelijk personeel aannemen, zoveel dat ze het merendeel daarvan geen lange-termijn carriere kunnen bieden. En dat het beter zou zijn minder AIOs aan te nemen zodat de mensen die promoveren en postdoccen ook een goede kans hebben om professor te worden. Maar ik denk dat het te gemakkelijk is het probleem bij de universiteiten neer te leggen. Universiteiten willen gewoon zoveel mogelijk onderzoek doen voor zo weinig mogelijk geld, en de beste manier om dat te doen is jonge, tijdelijke krachten aan te nemen. Wat dat betreft is de universiteit net McDonalds. En net als de werknemers van McDonalds moeten postdocs beseffen dat de meesten van hen geen directeur/professor kunnen worden, en dus op tijd een andere baan moeten gaan zoeken.
Academisch onderzoek is misschien leuk, maar de politiek heeft er ten onrechte of terecht niet bijster veel geld voor over. En in sommige opzichten is ons huidige systeem al een enorme vooruitgang ten opzichte van het verleden, toen alleen de rijken wetenschappers konden worden en anderen wetenschap hoogstens als hobby konden bedrijven. Het is jammer dat vele enthousiaste en ambitieuze jonge wetenschappers uit de wetenschap gedreven worden, maar het is niet onredelijk dat voor hen geldt wat voor de rest van ons geldt, dat we werk moeten vinden waar we onze passie voor een onderwerp kunnen combineren met een door de maatschappij nodige, gewaardeerde en betaalde dienstbaarheid. Professoren hebben misschien zowel vrijheid als een dak boven hun hoofd, maar de rest van ons, inclusief postdocs, moeten net als de vagebond in Stevenson's gedicht een keuze maken: de vrijheid of het dak? Het doen van duur onderzoek met andermans geld is een privilege, dat door niemand geeist kan worden. Het is jammer voor de postdocs die verstoten worden uit het paradijs, maar het is misschien het beste als ze het leren beschouwen als een kans op een andere manier iets goeds te doen. Want ook de maatschappij heeft slimme mensen hard nodig - en misschien nog wel harder dan de universiteit.
Een postdoc (post-doctoraat, oftewel iemand die al een proefschrift geschreven heeft) is een zwerfwetenschapper. Een postdoc gaat naar een universiteit, blijft daar één, twee of drie jaar, en moet daarna over het algemeen een andere universiteit opzoeken voor werk.
Het idee achter een postdoc is eigenlijk erg goed: een jonge wetenschapper die net gepromoveerd is (en een jaar of 28, 29 is) kan zo een jaar of twee ervaring opdoen in een gerenommeerd buitenlands laboratorium, en daar nieuwe dingen leren, nieuwe contacten leggen, met nieuwe ideeën in aanraking komen. Je wordt er waarschijnlijk een betere wetenschapper van. Dat is waarschijnlijk ook waarom universiteiten bijna altijd willen dat kandidaten voor een professorschap niet alleen maar aan één universiteit zijn gebleven, maar ook wat zijn rondgetrokken.
Dus een postdoc in het buitenland kan erg leerzaam zijn, en ook nog je carrière vooruithelpen. Het is daarom voor bijna alle wetenschappers een goed idee na hun promotie te gaan 'postdoccen' als ze verder willen in de wetenschap. Maar dat wil niet zeggen dat het postdocsysteem alleen maar plezierig is.
Een praktisch probleem is dat de meeste wetenschappers van eind twintig/begin dertig al een relatie hebben, waarbij de partner niet alleen werkt, maar bijna altijd ook nog veel meer geld verdient dan de postdoc. En in tegenstelling tot universiteiten zijn de meeste bedrijven en overheidsinstellingen niet blij als iemand voor twee of drie jaar naar het buitenland vertrekt. Het regelen van vervangers, pensioengat etc... Wat er dus kan gebeuren is dat de postdoc haar vriend of zijn vriendin een paar jaar lang maar eens in de paar maanden kan opzoeken. Nu kan een relatie dat wel overleven (immers, veel zeelui zijn ook getrouwd), maar het is natuurlijk niet prettig. En zelfs als de postdoc nog redelijk dichtbij is, kan het heen en weer reizen ook voor veel stress zorgen– een professor die ik eens interviewde vertelde dat hij zijn postdoc in Parijs deed, en elke twee weken een weekend met de trein naar Nederland ging. In de trein kon je niet veel slapen, en in dat weekend waren al zijn sociale activiteiten geconcentreerd. Een vermoeiende tijd.
Maar het grootste probleem voor postdocs is wat te doen nà hun postdoc. Het is vaak moeilijk aan de universiteit een vaste baan als UD of zelfs een "tenure track"-positie te krijgen. Want er zijn veel meer postdocs dan vacatures voor vast personeel. Een paar gelukkige postdocs hebben al een vaste baan aangeboden gekregen – zelfs voordat ze met hun postdoc begonnen, een paar andere gelukkige postdocs zijn zo goed (of hebben zoveel geluk) dat ze een baan aan een universiteit vinden, maar de resterende 70-80-% van de postdocs moet een keuze maken: moet ik nog een postdoc nemen in de hoop dat ik in die tijd wèl een permanente positie vind, of kan ik maar beter stoppen met academisch onderzoek nu ik nog jong genoeg ben om een baan in het bedrijfsleven te vinden? En dat is geen prettige positie, vooral omdat de grote meerderheid van postdocs aan de universiteit wil blijven werken.
Maar ja, universiteiten zelf zitten ook niet te springen om postdocs van 40+.
Onder jonge wetenschappers wordt dus veel gediscussieerd over het postdoc-systeem. Er zijn postdocs die vinden dat universiteiten veel teveel jong en tijdelijk personeel aannemen, zoveel dat ze het merendeel daarvan geen lange-termijn carriere kunnen bieden. En dat het beter zou zijn minder AIOs aan te nemen zodat de mensen die promoveren en postdoccen ook een goede kans hebben om professor te worden. Maar ik denk dat het te gemakkelijk is het probleem bij de universiteiten neer te leggen. Universiteiten willen gewoon zoveel mogelijk onderzoek doen voor zo weinig mogelijk geld, en de beste manier om dat te doen is jonge, tijdelijke krachten aan te nemen. Wat dat betreft is de universiteit net McDonalds. En net als de werknemers van McDonalds moeten postdocs beseffen dat de meesten van hen geen directeur/professor kunnen worden, en dus op tijd een andere baan moeten gaan zoeken.
Academisch onderzoek is misschien leuk, maar de politiek heeft er ten onrechte of terecht niet bijster veel geld voor over. En in sommige opzichten is ons huidige systeem al een enorme vooruitgang ten opzichte van het verleden, toen alleen de rijken wetenschappers konden worden en anderen wetenschap hoogstens als hobby konden bedrijven. Het is jammer dat vele enthousiaste en ambitieuze jonge wetenschappers uit de wetenschap gedreven worden, maar het is niet onredelijk dat voor hen geldt wat voor de rest van ons geldt, dat we werk moeten vinden waar we onze passie voor een onderwerp kunnen combineren met een door de maatschappij nodige, gewaardeerde en betaalde dienstbaarheid. Professoren hebben misschien zowel vrijheid als een dak boven hun hoofd, maar de rest van ons, inclusief postdocs, moeten net als de vagebond in Stevenson's gedicht een keuze maken: de vrijheid of het dak? Het doen van duur onderzoek met andermans geld is een privilege, dat door niemand geeist kan worden. Het is jammer voor de postdocs die verstoten worden uit het paradijs, maar het is misschien het beste als ze het leren beschouwen als een kans op een andere manier iets goeds te doen. Want ook de maatschappij heeft slimme mensen hard nodig - en misschien nog wel harder dan de universiteit.
vrijdag 3 april 2009
De barmhartige Samaritaan

De Barmhartige Samaritaan (Rembrandt, 1632-1633)
Een van de bekendste verhalen van Jezus is die van de barmhartige Samaritaan. Het verhaal gaat over een man die door rovers wordt overvallen en bloedend aan de kant van de weg ligt. Dan komt een priester voorbij, en die ziet de gewonde man – maar gaat aan de andere kant van de weg lopen.. Vervolgens komt een schriftgeleerde voorbij. Hij ziet de gewonde ook – en gaat óók aan de andere kant van de weg lopen. Tenslotte komt een Samaritaan voorbij en hij ziet de man, verbindt zijn wonden, legt hem over zijn ezel en brengt hem naar een herberg, waar hij voor de verzorging betaalt.
Je denkt misschien dat die priester en schriftgeleerde in het verhaal nogal hypocriet zijn: dat ze iedereen aansporen tot godvruchtigheid en deugd, maar zelf geen vinger uitsteken om een medemens te helpen. Wat het verhaal voor het publiek in die tijd extra schokkend maakte, was dat Samaritanen door de Joden gezien werden als niet te vertrouwen vreemdelingen, in een tegenwoordige versie zou Jezus misschien een van top tot teen getatoeerde punker, kraker, of Hell's angel hebben gebruikt als Samaritaan. Probeer je maar eens voor te stellen dat een priester en een dominee straal voorbij een gewonde lopen, en dat een Hell's Angel iemand in nood wel helpt!
De moraal van het verhaal lijkt te zijn dat hulp uit de meest onverwachte hoek kan komen, en algemener lijkt het verhaal te vertellen dat mensen niet altijd doen wat je zou verwachten op grond van hun uiterlijk of beroep.
Dat is natuurlijk voer voor psychologen. Wanneer helpt iemand anders een medemens die in nood is? De onderzoekers Darley en Batson probeerden daar in de jaren 70 van de vorige eeuw achter te komen.
De onderzoekers recruteerden theologiestudenten om een lezing te geven; de helft moest een lezing geven over de procedures aan hun universiteit, de andere helft moest een lezing geven over het verhaal van de Goede Samaritaan. Beide groepen werden in drieën gesplitst. Alle studenten kregen te horen dat ze de lezing in een ander gebouw moesten geven, maar één subgroep werd verteld dat ze ruim tijd hadden om naar het andere gebouw te gaan, terwijl tegen een andere subgroep werd gezegd dat ze zich moesten haasten. Een derde groep kreeg een beetje tijd, maar niet veel. Er waren uiteindelijk dus zes groepen -procudures/haast, Samaritaan/haast, procedures/beetje tijd, samaritaan/beetje tijd, procedures/veel tijd, samaritaan/veel tijd.
Darley en Batson, met het voor psychologen kenmerkende gevoel voor humor, hadden tussen de twee gebouwen een “slachtoffer” geplaatst die urgent hulp nodig leek te hebben. Hoeveel theologiestudenten denk je dat stopten?
Schokkend genoeg voor de gelovigen onder ons stopten de toekomstige dominees niet allemaal. Het zullen gaan houden van een lezing over de goede Samaritaan leek de kans te vergroten dat ze zouden helpen, maar de belangrijkste factor was de tijd: als de studenten tijd hadden stopte 63% om te helpen, als ze gehaast waren maar 10%! (zie ook http://www.experiment-resources.com/helping-behavior.html)
Dat wil niet zeggen dat de seminariestudenten die niet hielpen slechte mensen waren – alleen dat of iemand helpt niet erg afhankelijk is van zijn of haar karakter oftewel of de persoon "aardig" of "niet aardig" is. Het hangt veel meer af van een externe factor zoals hoeveel haast hij of zij toevallig heeft. En dat is ergens ook logisch, een goed nadenkende “redder” zou de waarde van een mens redden opwegen tegen de kosten, en hoe meer haast hij of zij heeft, des te groter zijn de kosten voor hem (te laat komen is niet leuk), en dus is de reddingsactie “duurder”, en minder mensen zullen dus helpen. En (discriminerend genoeg), hoe aantrekkelijker het slachtoffer is, des te eerder mensen helpen. Kennelijk levert een reddingsactie dan meer op.
Maar wat begrijpelijk is hoeft natuurlijk niet goed te zijn. Het was waarschijnlijk beter geweest als de theologiestudenten hun eigen haast en noden hadden gerelativeerd– wat is het belang van op tijd zijn voor een speech tegenover een mensenleven? En hoe serieus moeten wij onszelf nemen, van de ene dringende maar ook niet zo erg belangrijke afspraak naar de andere rennend? Misschien is het goed ook af en toe om ons heen te kijken en te bedenken dat wij niet de enigen zijn met problemen - en we hebben waarschijnlijk ook niet eens de grootste problemen van iedereen. Alleen als we dat beseffen kunnen we echte barmhartige Samaritanen worden.
donderdag 2 april 2009
Een kudde dimetrodons

In het computerspel World of Warcraft heeft iedereen zo zijn favoriete zones (streken). Sommigen zweren bij het bos van Elwynn, anderen vinden het Zangar-moeras het mooist. Ikzelf kwam vaak tot rust door de grijze stofvlakten van Desolace. Maar er is één zone die door bijna iedereen gehaat wordt: de krater van Un'Goro. En dat is begrijpelijk.
Bij Un'goro zijn de programmeurs iets tè enthousiast geweest. Er zijn geen veilige wegen, de enige manier om door de krater te reizen is je in de wildernis te begeven. En wàt voor een wildernis. Prachtig, met allerlei prehistorische dieren – maar veel te veel ervan. Je kunt geen stap verzetten voordat je been wordt afgebeten door een of andere computergestuurde dimetrodon, die zo dichtgezaaid lijken te zijn als madeliefjes op een ongemaaid grasveld. Astmatisch snuivende, bloeddorstige madeliefjes dan.
Nu is het natuurlijk wel logisch dat je voor een computerspel veel vijanden nodig hebt, maar onze voorouders zouden zo'n prehistorie nooit hebben overleefd. Maar dat hoefde ook niet, en dat is een gevolg van de zogenaamde voedselketens.
De energie die levende wezens nodig hebben om te leven wordt geproduceerd door de zon. Een deel van die zonne-energie (ongeveer 1 tot 5%) wordt omgezet in de chemische energie oftewel het onderhoud en de massa van een plant. Dus op een mooie zomerdag wordt misschien op elke vierkante meter 100 gram biomassa, dus suiker, zetmeel en eiwitten gemaakt door de planten.
Planten worden opgegeten door planteneters, en die zijn ook niet enorm efficiënt: de vertering van hun eten kost energie, het kost energie te bewegen (en bij zoogdieren kost het extra energie de lichaamstemperatuur hoog te houden), het kost energie om de beschadigingen die een lichaam altijd krijgt te repareren, gifstoffen in het eten af te breken, ziekteverwekkers in het lichaam onschadelijk te maken, enzovoorts. Die 100 gram biomassa per dag wordt dus omgezet in misschien maar 10 gram konijn (aannemend dat het konijn in de groei is).
Voor de vos die het konijn dan opeet geldt hetzelfde verlies van massa: 10 gram konijn wordt waarschijnlijk maar 1 gram vos. En als er een beest is dat vossen eet, dan krijgt dat beest misschien maar een tiende gram van de oorspronkelijke 100 gram aan voedingsstoffen binnen.
Dat is ook de reden dat een bos meestal vol planten is, maar je veel minder dieren ziet: per zoveel vierkante meters planten kan misschien maar één planteneter leven. Roofdieren zijn daarom nòg zeldzamer, ze hebben een veel groter gebied nodig. Solitaire konijnen hebben een territorium van minimaal 10,000 vierkante meter (dus 100x100 meter), terwijl een vos minimaal 100,000 vierkante meter nodig heeft, tien keer zoveel, omdat de extra omzettingsstap van plant naar vos via het konijn veel inefficiënter is. Hoe hoger het dier in de voedselketen voorkomt, hoe zeldzamer het daardoor is. Dat is waarschijnlijk ook één van de redenen waarom zo weinig beesten vossen eten - ze zouden zo'n groot territorium moeten hebben om een voldoende populatie vossen te hebben dat de energie die het oplevert vossen te eten niet opweegt tegen de energie die het kost om kilometers te lopen om die vossen te vinden en te vangen. Overigens is dit één van de redenen waarom de grootste dieren, zoals tijgers en olifanten, in de tropen leven, of, zoals walvissen, in de oceaan: in de tropen is er meer zonne-energie, dus zijn gebieden zo vruchtbaar dat zelfs grote roofdieren een nog doenlijk territorium hebben om te bereizen (tijgers hebben al snel 12 km2 nodig, 120x zoveel als een vos, maar als ze in gematigde streken zouden leven zou dat territorium nog veel groter moeten zijn). Van walvissen weet ik het niet zeker, maar het zou kunnen dat voortbeweging in het water minder energie kost dan voortbeweging op het land, als je visvormig bent, tenminste... en dat ze daarom ook grotere territoria kunnen hebben.
De diemetradons in World of Warcraft hebben dus een onrealistisch hoge dichtheid - in een krater waar je in een paar minuten doorheen kunt rennen (als je niet wordt opgegeten) zou hoogstens plaats zijn voor 1 of 2 dimetrodons, en die zouden zich weer voeden met tientallen kleinere planteneters, die in het Warcraft overigens niet rondrennen. Voor een computerspel zou dat namelijk te saai zijn, en ik vergeef de makers van World of Warcraft dan ook daarvoor. Maar mensen die boeken schrijven die pretenderen waar te zijn zouden voorzichtiger moeten zijn.
Zo zegt bijvoorbeeld het boek van Mormon, een soort Bijbel waarop het geloof van de Mormonen gebaseerd is, in Enos 1:20:
"En ik doe getuigenis dat de mensen van Nephi hun best deden de Lamanieten [EWL: verwant volk] weer het ware geloof te doen vinden. Maar onze werken waren tevergeefs;... ze werden door hun boosaardige natuur geleid om wild en woest te worden, voedende op roofdieren, ... en velen van hen aten niets dat geen rauw vlees was."
Waarom de Lamanieten volgens het boek uiteindelijk zulke grote aantallen bereikten dat ze de plantenetende Nephieten versloegen is mij een raadsel - als ze alleen maar het vlees van roofdieren zouden eten zouden ze zijn uitgestorven, want om voldoende roofdieren te vinden om op te eten zouden hun territoria zo enorm groot moeten zijn dat ze zichzelf zouden doodlopen. Zelfs tijgers eten planteneters. Ze zouden zeker niet zulke dichtheden bereiken als de Warcraft dimetrodons. Het boek van Mormon is misschien heilig, maar biologisch gezien lijkt het niet helemaal te kloppen.
Maar misschien is het helemaal niet zo onzinnig om de waarheid een beetje "leuker" te maken. De kerk van de Mormonen en World of Warcraft hebben respectievelijk 13 miljoen gelovigen en 11 miljoen spelers. De meeste biologieboeken kunnen daar niet aan tippen qua lezersaantallen. Niet biologisch correct zijn heeft dus ook zijn voordelen. Maar ga dus liever niet ècht leven van het vlees van roofdieren. Verhalen en computerspellen zijn leuk, maar alleen als je goed gegeten hebt - van planten en planteneters dus. En nu weet je dus waarom alleen díe op je menu staan...
woensdag 1 april 2009
De vakgroep (3/7) - de "tenure tracker"
Opzij, opzij, opzij,
maak plaats, maak plaats, maak plaats,
wij hebben ongelofelijke haast.
Opzij, opzij, opzij,
want wij zijn haast te laat,
wij hebben maar een paar minuten tijd.
We moeten rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan.
We kunnen nu niet langer, we kunnen nu niet langer blijven staan.
–Herman van Veen
Ik heb in mijn leven Londense yuppen gezien, overklokte middelbare-school-docenten ontmoet, maar van alle gestresste banen die Herman van Veen zou kunnen bedoelen is volgens mij de meest gestresste die van de "tenure tracker". En waarom dat zo is, wordt misschien duidelijk als ik uitleg wat een "tenure tracker" is.
Een "tenure tracker" (die ik voortaan voor het gemak 'tenuretracker' noem) is een soort kruising tussen vast wetenschappelijk personeel en tijdelijk wetenschappelijk personeel, het is een universitair docent zonder vaste aanstelling. Het idee is dat een jonge wetenschapper een jaar of zes de tijd krijgt om te bewijzen dat hij of zij een vakgroep kan leiden. Als hij of zij dat kan, komt er na die zes jaar een vaste aanstelling, anders wordt 'ie ontslagen.
In theorie klinkt een tenure track fantastisch - voor de universiteit dan. Want het is inderdaad goed dat je kunt zien of iemand het goed doet in een professor-achtige baan, dat geeft een veel grotere zekerheid dat iemand een goede professor wordt dan als een pure onderzoeker permanent wordt aangenomen.
Maar zoals je je kunt voorstellen ziet de tenuretracker zelf de situatie iets anders. Er is een kans dat hij of zij het haalt - maar ook een flinke kans dat de tenuretracker na zes jaar wordt uitgewuifd, òf omdat hij/zij onderpresteert òf omdat het budget ineens ontoereikend blijkt voor verlenging. En dan moet de ex-tenuretracker ergens halverwege/eind dertig proberen een baan in het bedrijfsleven te vinden. Te oud voor een starterspositie, en te gespecialiseerd/academisch voor een managementpositie. En dan moet je nog aan potentiële werkgevers uitleggen waarom je niet goed genoeg was voor de universiteit, en als je zo geïnteresseerd was in het bedrijfsleven, waarom je dan niet zes jaar geleden hebt gesolliciteerd...
Zulke onzekerheid is niet goed voor de jonge wetenschappers - stress sloopt zowel het lichaam als hun geestelijke capaciteiten. Bovendien is het ook de vraag of het wel zo goed is voor de wetenschap zelf: critici stellen dat de meeste tenuretrackers zich zó focusen op het veilig stellen van een vaste positie, dat ze het niet aandurven om creatief of vernieuwend onderzoek te doen, omdat dat een grotere kans op mislukken heeft of te worden afgekeurd voor publicatie door andere wetenschappers. In het ergste geval produceert het tenure-track-systeem simpelweg slaafse tweederangs klonen van de beoordelende professoren.
Bovendien... zoals een Amerikaanse hoogleraar die nu in Zürich werkt me eens vertelde: "Als je in Amerika academisch hogerop wilt komen, heb je tien jaar lang geen sociaal leven. Maar dan zit iedereen wel op de juiste plaats." Ofwel: na tien jaar van 'niet leven' heb je het gemaakt. Of niet. Willen we dat echt hier ook hebben? In het ergste geval is tenure track gewoon wetenschapper-mishandeling.
Zolang er veel meer ambitieuze jonge wetenschappers zijn dan de universiteiten geld hebben voor vast personeel zullen tenure-track-achtige posities wel blijven bestaan. Maar dat wil niet zeggen dat de tenuretrackers helemaal hulpeloos zijn. Hoewel het voor de hand liggend is zich totaal te richten op die vaste baan bij de eigen universiteit is het waarschijnlijk veel beter hun carrière in breder perspectief te zien, en net als de listigste professoren en popsterren hun opties open te houden. Promoot je eigen onderzoek op congressen, maak veel contacten met de top-100 wetenschappers in je vakgebied, ga samenwerkingsverbanden aan... zorg ervoor dat je ruim voor het eind van je contract al een zo sterk netwerk hebt opgebouwd, dat je of bij een andere universiteit of een bedrijf zó terecht kan. Dat heeft twee voordelen: allereerst hoef je dan minder te stressen over je toekomst. En ten tweede kan het best wel zijn dat je iets veel beters tegenkomt.
Want wat zou mooier zijn dan als de raad van superviserende hoogleraren je bezorgd toespreekt bij de vijf-jaar evaluatie... te antwoorden dat jij zeker benieuwd bent naar hun mening, en dat je hun aanbod graag spoedig wil horen, zodat je het kan vergelijken met het professoraat dat je zojuist door Cambridge aangeboden is. Laat een collega snel een foto maken van de gezichten van de commissie, dan heb je een leuk souvenir. Want al ben je als tenure-tracker misschien de meest overwerkte van alle haasters, dan nog mag je niet vergeten dat niet alleen JIJ op proef bent, maar de universiteit dat ook is. Zo'n droommoment is misschien het enige mooie ogenblik in een tenure track. Maar het zou zeker al het zwoegen en netwerken waard zijn.
maak plaats, maak plaats, maak plaats,
wij hebben ongelofelijke haast.
Opzij, opzij, opzij,
want wij zijn haast te laat,
wij hebben maar een paar minuten tijd.
We moeten rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan.
We kunnen nu niet langer, we kunnen nu niet langer blijven staan.
–Herman van Veen
Ik heb in mijn leven Londense yuppen gezien, overklokte middelbare-school-docenten ontmoet, maar van alle gestresste banen die Herman van Veen zou kunnen bedoelen is volgens mij de meest gestresste die van de "tenure tracker". En waarom dat zo is, wordt misschien duidelijk als ik uitleg wat een "tenure tracker" is.
Een "tenure tracker" (die ik voortaan voor het gemak 'tenuretracker' noem) is een soort kruising tussen vast wetenschappelijk personeel en tijdelijk wetenschappelijk personeel, het is een universitair docent zonder vaste aanstelling. Het idee is dat een jonge wetenschapper een jaar of zes de tijd krijgt om te bewijzen dat hij of zij een vakgroep kan leiden. Als hij of zij dat kan, komt er na die zes jaar een vaste aanstelling, anders wordt 'ie ontslagen.
In theorie klinkt een tenure track fantastisch - voor de universiteit dan. Want het is inderdaad goed dat je kunt zien of iemand het goed doet in een professor-achtige baan, dat geeft een veel grotere zekerheid dat iemand een goede professor wordt dan als een pure onderzoeker permanent wordt aangenomen.
Maar zoals je je kunt voorstellen ziet de tenuretracker zelf de situatie iets anders. Er is een kans dat hij of zij het haalt - maar ook een flinke kans dat de tenuretracker na zes jaar wordt uitgewuifd, òf omdat hij/zij onderpresteert òf omdat het budget ineens ontoereikend blijkt voor verlenging. En dan moet de ex-tenuretracker ergens halverwege/eind dertig proberen een baan in het bedrijfsleven te vinden. Te oud voor een starterspositie, en te gespecialiseerd/academisch voor een managementpositie. En dan moet je nog aan potentiële werkgevers uitleggen waarom je niet goed genoeg was voor de universiteit, en als je zo geïnteresseerd was in het bedrijfsleven, waarom je dan niet zes jaar geleden hebt gesolliciteerd...
Zulke onzekerheid is niet goed voor de jonge wetenschappers - stress sloopt zowel het lichaam als hun geestelijke capaciteiten. Bovendien is het ook de vraag of het wel zo goed is voor de wetenschap zelf: critici stellen dat de meeste tenuretrackers zich zó focusen op het veilig stellen van een vaste positie, dat ze het niet aandurven om creatief of vernieuwend onderzoek te doen, omdat dat een grotere kans op mislukken heeft of te worden afgekeurd voor publicatie door andere wetenschappers. In het ergste geval produceert het tenure-track-systeem simpelweg slaafse tweederangs klonen van de beoordelende professoren.
Bovendien... zoals een Amerikaanse hoogleraar die nu in Zürich werkt me eens vertelde: "Als je in Amerika academisch hogerop wilt komen, heb je tien jaar lang geen sociaal leven. Maar dan zit iedereen wel op de juiste plaats." Ofwel: na tien jaar van 'niet leven' heb je het gemaakt. Of niet. Willen we dat echt hier ook hebben? In het ergste geval is tenure track gewoon wetenschapper-mishandeling.
Zolang er veel meer ambitieuze jonge wetenschappers zijn dan de universiteiten geld hebben voor vast personeel zullen tenure-track-achtige posities wel blijven bestaan. Maar dat wil niet zeggen dat de tenuretrackers helemaal hulpeloos zijn. Hoewel het voor de hand liggend is zich totaal te richten op die vaste baan bij de eigen universiteit is het waarschijnlijk veel beter hun carrière in breder perspectief te zien, en net als de listigste professoren en popsterren hun opties open te houden. Promoot je eigen onderzoek op congressen, maak veel contacten met de top-100 wetenschappers in je vakgebied, ga samenwerkingsverbanden aan... zorg ervoor dat je ruim voor het eind van je contract al een zo sterk netwerk hebt opgebouwd, dat je of bij een andere universiteit of een bedrijf zó terecht kan. Dat heeft twee voordelen: allereerst hoef je dan minder te stressen over je toekomst. En ten tweede kan het best wel zijn dat je iets veel beters tegenkomt.
Want wat zou mooier zijn dan als de raad van superviserende hoogleraren je bezorgd toespreekt bij de vijf-jaar evaluatie... te antwoorden dat jij zeker benieuwd bent naar hun mening, en dat je hun aanbod graag spoedig wil horen, zodat je het kan vergelijken met het professoraat dat je zojuist door Cambridge aangeboden is. Laat een collega snel een foto maken van de gezichten van de commissie, dan heb je een leuk souvenir. Want al ben je als tenure-tracker misschien de meest overwerkte van alle haasters, dan nog mag je niet vergeten dat niet alleen JIJ op proef bent, maar de universiteit dat ook is. Zo'n droommoment is misschien het enige mooie ogenblik in een tenure track. Maar het zou zeker al het zwoegen en netwerken waard zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)