dinsdag 21 april 2009

Wat is informatie? (1)

De meeste mensen weten wel wat een hond of een kat is of een deur. Het wordt al moeilijker als je moet beschrijven wat een ministerie is of een geloofsgemeenschap, maar één begrip is waarschijnlijk het moeilijkst van allemaal te begrijpen: en dat is "informatie".

Natuurlijk hebben de meeste stations en banken wel een "informatiebalie", maar als je aan de dames of heren dáár vraagt wat informatie nou eigenlijk is zullen ze je glazig aankijken, en zeggen dat ze alleen informatie kunnen geven over treintijden of banktarieven. Maar wat informatie zèlf is... Bestaat rauwe informatie eigenlijk wel?

Boeken, films, CD's, tijdschriften zijn geen voorbeelden van informatie, maar van informatiedragers. Het DNA in je cellen is ook een informatiedrager. Maar wat is dan die ongrijpbare informatie die ze dragen?

Als je erover nadenkt, is informatie eigenlijk een 'representatie' van iets anders in de wereld. Die informatie kan symbolisch zijn (zoals in woorden "Jos ligt in het ziekenhuis"), een niet-woordelijke representatie (een foto van Jos in het ziekenhuis) of een indirect effect waaruit je kunt concluderen wat er met Jos gebeurd is zonder hemzelf te zien (zijn buurvrouw geeft zijn kat eten, en al zijn pyama's zijn uit zijn kast). Dat laatste type indirecte informatie is overigens wat er zo leuk is aan detective-verhalen, waarin de detective erachter komt wie de moordenaar is zonder dat de moordenaar expliciet hoeft te zeggen "ik, Mr Black, heb kolonel Green vermoord om zondagavond 10 uur met een poker".

Informatie definiëren als een representatie van iets anders op de wereld is een nuttige, praktische definitie. Dan merk je dat als je het hebt over een informatief programma dat er veel informatie in zat die je nog niet kende, en het over een oninformatief programma hebt bij een programma waar juist weinig of géén onbekende informatie in zat. Maar dat is alleen jouw waarneming. Want een programma kan voor jou erg informatief zijn, maar voor een expert op dat gebied niet. Informatie lijkt dus relatief. En tòch blijft het hetzelfde programma, dus iemand die niets weet zou er ontzettend veel informatie uit kunnen halen. Maar wat is de limiet daarvan? Hoeveel informatie zit er in iets bepaalds?

Het blijkt dat je informatie objectief kan meten, al gaat dat het gemakkelijkste voor tekst. De eerste keus is dan natuurlijk letters en leestekens tellen, en dat is een goede eerste vuistregel voor informatie. Het woord "eend" bevat dan 4 informatie-eenheden.

Mr dt s nt ht hl vrhl. D mste mnsn knnn k ingkrte wrdn lzn. Neem bijvoorbeeld het van klinkers ontdane woord "Mr". In het Nederlands kan Mr staan voor "Maar", "Meer", "Mier", "Moor", "Muur" en "Moer" (aannemend dat de eerste letter geen klinker is, dan zou Amor etc. ook kunnen). Dan zie je allereerst dat het hebben van een dubbele letter een verspilling is, je zou het ook kunnen schrijven als "Mar" voor "Maar", "Mer" voor "Meer", "Mir" voor mier, "mor" voor "Moor" etc. (en "Myr" voor "Moer") Dezelfde informatie, maar dan met één letter minder. Bevat "Maar" in werkelijkheid dan drie of vier letters informatie? Of slechts twee, want hier zie je dat "Maar" het enige woord is dat kan worden ingevuld voor "Mr", maar dat ligt aan de andere woorden, als die weg zouden zijn zou "maar" dus drie letters kosten. Dus hoeveel lettertekens zijn écht nodig om de boodschap over te brengen?

Weet jij het antwoord?

Wordt vervolgd...

maandag 20 april 2009

EWL maandag 20 april 2009 - Sport en wilskracht

Ze zeggen dat sport goed voor je is. En dat is het waarschijnlijk ook. Maar je moet niet overdrijven. En dat heb ik vandaag waarschijnlijk wèl gedaan. Na mijn sporten was het ontzettend moeilijk me aan m'n reguliere schrijfwerk te zetten en dat vol te houden. Het was alsof mijn hele wilskracht was uitgeput. Volgende keer maar 's avonds sporten in plaats van 's ochtends. En vandaag op tijd naar bed, misschien dat dat ook scheelt.

zondag 19 april 2009

Wetenschappelijke reflecties (1) - Waarom wetenschapper worden?

Een tijdje geleden mailde ik met mijn stagebegeleidster op het Da Vinci college, om te vragen hoe het met haar en de klassen ging. Met haar ging het in elk geval goed, met de klassen ook, al waarschuwde ze me wel dat waarschijnlijk niet iedereen voor een wetenschappelijk profiel of een wetenschappelijke carrière zou kiezen.

Mensen hoeven natuurlijk niet voor een wetenschapsprofiel te kiezen, of voor een wetenschappelijke carrière. Maar ik ging me wel afvragen wat ik nou tegen iemand zou kunnen zeggen die mij zou vragen: waarom wordt iemand nou wetenschapper? Wat zijn de voordelen? En wat zijn de nadelen?

Allereerst moet ik dan even de open deur intrappen: kies een studie die je interesse heeft. Hou je van geld, ga dan economie studeren. Macht? Politicologie of beleidskunde. Ben je je continu aan het afvragen waarom mensen doen wat ze doen? Psychologie of sociologie. Wil je zieke mensen beter maken? Geneeskunde. Wil je apparaten uitvinden? Een technische opleiding. Als je wilt weten waarom dingen in de wereld, in het menselijk lichaam, in de natuur, in het universum werken zoals ze werken: natuurkunde, biologie, scheikunde en de verwante studies (of de bredere wetenschapsstudies zoals de "bèta-gamma" aan bijvoorbeeld de UvA) zullen dan het leukst zijn. Voor de meeste carrières (behalve advocaat of arts) heb je geen specifieke diploma's nodig, ga gewoon studeren wat je zelf leuk lijkt, daarna kun je altijd nog kiezen welke richting je opgaat, maar heb je tenminste een paar jaar van je leven het leuk gehad.

Maar goed... stel dat je geen sterke voorkeur hebt, wat dan? Wat moet je overwegen?

1) Geld. Vooroordeel 'wetenschappers zijn arm'. Dit is zowel waar als niet waar. Wetenschappers op de universiteit (inclusief professoren) worden redelijk mager betaald, als ze het voortgezet onderwijs ingaan helemaal. Maar een wetenschapper die bij een bedrijf gaat werken zal waarschijnlijk evenveel of meer verdienen dan de gemiddelde econonoom, alleen de leidinggevenden (vaak economen/bedrijfskundigen) zullen meer verdienen. Dus als je een zeer behoorlijk salaris wilt verdienen met een wetenschappelijke opleiding kan dat zeker, al zal je er net als een econoom een manager voor moeten worden.

2) Saaiheid. Vooroordeel 'wetenschap is saai'. Dit is weer zowel waar als niet waar. Ik had een vriend die nog geen pagina van een boek kon lezen zonder het boek weer dicht te slaan. Hij is dan ook geen wetenschapper geworden. Als je een extravert persoon bent die het liefst de hele dag met mensen praat moet je inderdaad geen wetenschapper worden (of schrijver, of programmeur, of kunstenaar). En je maakt inderdaad niet snel spectaculaire ontdekkingen, daar gaan vaak maanden of jaren inzitten, en de meeste wetenschappers ontdekken helemaal niets bijzonders, ze zijn blij als ze een klein hoekje van de wereld kunnen bestuderen. Als je veel plezier hebt aan het diep bestuderen van iets, dan is wetenschap ideaal. Als je een brede belangstelling hebt of erg sociaal bent, dan is een wetenschappelijke carrière misschien minder geschikt.

3) Een wetenschapper heeft grote arbeidsmarktonzekerheid. Weer: waar en niet waar. Als je aan de universiteit wilt werken, berg je dan maar: jaren van tijdelijke contracten stapelen zich op, in een tijd waarin je zo weinig verdient dat je partner moet werken om een hypotheek rond te krijgen. Buiten de universiteit zijn kansen op een vaste baan juist groter dan die van zeg de gemiddelde econoom: er zijn altijd wetenschappers nodig. Vaak heb je als wetenschapper de reputatie dat je slim bent, goed met cijfers kunt omgaan, en tenminste van één nuttig onderwerp verstand hebt. Voor de generalistische banen ben je niet veel slechter dan een generalist. Voor specifieke banen ben je veel beter. Als wetenschapper kom je dus (behalve, interessant genoeg, aan de universiteit) meestal goed aan de bak.

4) Om wetenschapper te worden moet je ontzettend slim zijn. Dit is gewoon niet waar. De gemiddelde wetenschapper lijkt geen hoger IQ te hebben dan de gemiddelde andere universiteitsganger. Wetenschap lijkt voor de meeste mensen alleen "moeilijk" omdat ze het òf niet interessant vinden òf proberen teveel stof in te weinig tijd erin te stampen òf omdat hun docenten het op een abstract niveau houden zonder dagelijkse voorbeelden te gebruiken. En sommige wetenschappers hebben ook het idee dat alleen de slimsten kunnen slagen als wetenschapper. Onjuist. Als je geïnteresseerd bent in wetenschap en bereid bent hard te werken ben je goed genoeg, als je echt van wetenschap houdt dan kan je bijna altijd wel een baan vinden als professioneel onderzoeker aan de universiteit, in de industrie, of bij overheidsinstellingen.

5) Wetenschappers moeten lang werken. Waar en niet waar. In de industrie werken wetenschappers waarschijnlijk even lang als de gemiddelde andere hoogopgeleide werknemer, op de universiteiten worden er inderdaad vaak onmenselijk lange uren gedraaid, vooral door postdocs en tenure trackers. Kun je niet zonder een rijk sociaal leven en veel hobbies, dan is een carrière als professionele wetenschapper waarschijnlijk geen goed idee, tenzij je naar de industrie wilt gaan.

Maar er zijn ook een paar duidelijke voordelen aan het wetenschapper worden.

1) vrijheid. Dit geldt overigens veel meer aan de universiteiten dan in de industrie (anders zouden alle wetenschappers in de industrie willen werken). Wetenschappers aan de universiteiten behoren tot de weinige mensen die zelf kunnen kiezen wat ze doen voor hun salaris, met mogelijke uitzondering van de eigenaars van een bedrijf, maar dan zonder de stress van nieuwe opdrachten moeten binnenhalen. (Wel, als postdoc heb je de stress fondsen te moeten werven, maar hoogleraren zijn behoorlijk vrij in wat ze mogen doen).

2) status. Niet slecht. Vooral een professor heeft natuurlijk veel status, ook buiten de universiteit.

3) Carrière vooral bepaald door mentale, niet sociale vaardigheden. Als je minder handig bent met mensen maar wèl goed kunt denken, is wetenschap een ideaal gebied om je te bewijzen - in de wetenschap gaat het minder om wat voor pak je aanhebt of hoeveel vrienden je hebt dan of je een goed idee hebt. De wetenschap is niet helemaal ongevoelig voor sociale vaardigheden, maar wetenschappers letten toch veel meer op de inhoud dan de rest van de wereld doet.

4) Kans op eeuwige roem. Einstein, Darwin, Galileo, Newton, maar ook tientallen "kleinere" wetenschappers, bereiken eeuwen durende roem. Maar wanneer is de laatste keer dat er een standbeeld voor een topjurist is opgericht? Een wetenschapper heeft de kans de maatschappij te veranderen, de kennis die de mensheid bezit vooruit te helpen. Als je verschil wilt maken in de wereld, is wetenschapper worden een goede keuze. Popsterren zijn rijker en tijdelijk beroemder, maar een wetenschapper kan ècht een spoor nalaten in de wereld.


Waarom ik zelf voor de wetenschap gekozen heb is overigens een combinatie van factoren. Ik wilde altijd weten hoe dingen werkten (nieuwsgierigheid) en had meer vertrouwen in de methodes van de natuurwetenschappen dan van bijvoorbeeld de psychologie. Omdat ik handiger was in denken dan in sociale vaardigheden dacht ik ook als wetenschapper meer kans te maken succesvol te zijn dan als (bijvoorbeeld) politicoloog. Maar misschien was het belangrijkste dat ik iets nuttigs wilde doen voor de wereld, en de mogelijkheid op eeuwige roem was natuurlijk óók mooi meegenomen. Waarom ik geen volledige wetenschappelijke carrière inga heeft meer te maken met twee dingen die ik niet voorzien had. Maar daar ga ik de volgende keer op in.

zaterdag 18 april 2009

De Boze Bibliothecaresse

Als wetenschapper durf ik het bijna niet toe te geven, maar mijn moeder 'trance-healt'. Dat betekent dat als haar vrienden of kennissen klachten hebben, ze hen uitnodigt om op een tuinstoel te komen liggen en met haar handen boven hun lichaam gaat zweven, zodat de helende stralen uit haar handen hun wonderwerk kunnen verrichten. Hoe die stralen dat moeten doen, weet ik niet, want het is vaak een nogal complexe taak waarbij lichamelijke èn geestelijke problemen moeten worden opgelost.

Een tijdje geleden behandelde mijn moeder een kennis die bibliothecaresse is. Naast de lichamelijke klachten had die ook een emotioneel probleem: één van haar medewerkers op de bibliotheek was het lievelingetje van de bazin - er werd niets besloten als die medewerkster (ik noem haar maar even Klaartje) er niet was. Toen de bibliothecaresse dus een tijdje geleden een hele dag met Klaartje moest samenwerken, moest ze aan het einde van de dag bijna overspannen naar huis.

Nu ben ik geen wonderstraler, maar voor dergelijke emotionele problemen zijn er gelukkig ook gewonere technieken die ik zelfs zonder mijn moeder kan toepassen. De handigste van die technieken is waarschijnlijk "cognitieve therapie", dat wil zeggen dat je je gedachten op een vel papier schrijft en logische/rationele tegenantwoorden bedenkt (ikzelf heb deze techniek uit het boek 'Feeling Good' van David Burns, hij is al redelijk oud, maar hij werkt nog steeds goed!).

Bijvoorbeeld:
gedachte: Klaartje wordt altijd voorgetrokken! Dat is niet eerlijk!
rationeel antwoord: Klaartje wordt niet altijd voorgetrokken, vorige week dinsdag bijvoorbeeld niet. En waarom zouden mensen zich altijd eerlijk moeten gedragen?

gedachte: Maar ik voel me rot als Klaartje wordt voorgetrokken!

rationeel antwoord: Dat is een gevoel, maar geen gedachte. Wat is je gedachte?

gedachte: Dat ik niet belangrijk ben.

rationeel antwoord: Zwart-wit denken, overgeneralisatie. Je bent voor de directrice misschien niet zo belangrijk als Klaartje, maar dat is alleen maar háár gekte. Je bent erg belangrijk voor je man en je kinderen en je vrienden, veel meer dan Klaartje.

gedachte: Maar ik wil dat ALLE mensen me belangrijk vinden!
rationeel antwoord: Dus je verwacht ook elke dag een bloemstuk van de Paus? Het gaat er in het leven niet om dat andere mensen je belangrijk vinden, het gaat erom dat je zèlf doet wat je belangrijk vindt. Als je er ècht niet tegen kan mag je tegen je directrice zeggen waarom je denkt dat haar gedrag onverstandig is, of zoek je een andere baan. Maar je kunt de directrice en Klaartje ook zien als twee schattige kleutertjes die allebei een "best vriendinnetje" hebben. Daar hoef jij je niets van aan te trekken, want jij bent er niet minder door waard!

Als je bij jezelf zo'n vraag- en antwoordspel op papier zet, merk je al snel dat je stress of boosheid veel minder wordt. Ikzelf heb het vandaag gebruikt toen ik wat dreigde te verstressen omdat één van mijn medeauteurs wat kritische kanttekeningen had geplaatst bij een scène die ik geschreven had:

EW-gedachte: Straks vindt hij de scene niet goed! Ik ben een slechte schrijver! Ik stel mensen teleur!
EW-antwoord: Je springt naar conclusies. Hij heeft tot nog toe al je scenes goed gevonden. Veel mensen vinden dat je goed schrijft, en als je soms een steek laat vallen kun je altijd verbeteren door feedback. Bovendien is schrijven maar een hobby, je vindt lesgeven toch leuker.

EW-gedachte: Maar als hij me afkeurt ben ik een mislukkeling! Niemand zal van mij houden! (*kuch* Ik overdrijf hier een beetje, maar het overdrijven van je eigen gedachten helpt vaak ze wat kritischer te bekijken)
EW-antwoord: Hij keurt misschien de scene af, maar jij doet en bent veel méér dan je scene. Bovendien heb je altijd voldoende familieleden en vrienden gehad die om je gaven, zelfs als je niet de afgelopen week een groot succes had geboekt. Bovendien, zelfs als niemand van je houdt kan je altijd nog van jezelf houden en gewoon doen wat JIJ leuk vindt.

Toen ik daarmee de moed had verzameld om de rest van zijn commentaar te lezen bleek dat hij de scene inderdaad goed vond, al zal ik zeker nog naar het lied moeten kijken.

Kortom: het uitschrijven van gedachten is erg handig. En je laat de patiënt gewoon het werk doen. Hmm... misschien moet ik toch maar van de markt gebruik maken en gaan adverteren: drs. E.M.W. Lameijer, schrijftherapeut. Al uw problemen weggebrand met magische, holistische schrijfstralen. Tsjakkaa!

Maar ehm... voorlopig stil houden hè? Als mijn moeder erachter zou komen dat ik probeerde cliënten van haar in te pikken vrees ik dat zelfs magische, holistische schrijfstralen me niet voor de daarop volgende problemen zouden behoeden. Ik kan het voorlopig waarschijnlijk beter bij gezonde, natuurlijke, holistische scheikunde houden...

vrijdag 17 april 2009

De kip, het ei en de wiskundige

Er zijn makkelijke problemen, moeilijke problemen, en onmogelijke problemen. De makkelijke problemen los je meestal snel op, de moeilijke kosten meer tijd, en de onmogelijke... wel, die zijn soms wèl eenvoudig op te lossen. Maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen.

Een jaar of twee geleden hadden we een vakgroepsbespreking, met de professor, de universitair docenten, de analisten, de studenten, en natuurlijk wij promovendi. Één van mijn collega's, van huis uit wiskundige, had deze keer de "beurt" om over haar onderzoek te vertellen.

"Mijn probleem," vertelde ze, "is helaas onoplosbaar. Ik moet een fylogenetische boom maken [EW: een grafiek waarin staat hoe sterk eiwitten aan elkaar verwant zijn, lijkt een beetje op een stamboom, met de "oereiwitten" aan de ene kant en de "kind" en "kleinkindeiwitten" die zich langzaam afsplitsen] maar dat kan ik niet doen zonder een goede alignment [EW: een 'alignment' is het onder elkaar zetten van aminozuurvolgordes, het is een soort schema waarin staat welke aminozuren van eiwitten van elkaar verschillen, zie plaatje onder. Er is ook een heel interessant verhaal over te vertellen, maar niet nu!]. Maar ik kan geen goede alignment maken zonder een fylogenetische boom. Dus ik zit vast."



Daarop stak ik mijn vinger op en vroeg of wiskundigen ook bewezen hadden dat er geen kippen bestonden.

Als je geen fylogenetische boom kunt maken zonder alignment, en geen alignment zonder fylogenetische boom... waar doet dat je aan denken? Abstracter gezegd: als je voor een A een B nodig hebt, maar voor een B een A, dan heb je een bepaald soort probleem: het zogenaamde kip- en ei-probleem.

Kip- en ei-problemen zijn typisch 'onmogelijke' problemen. Want je hebt een ei nodig om een kip te produceren, en een kip om een ei te produceren. Wat was er nou het eerst? Als je "ei" zegt -wie heeft het ei dan gelegd? Als je "kip" antwoordt - komt die dan niet uit een ei?

Vroeger waren zulke vragen eenvoudig te beantwoorden. Je sloeg de Bijbel open, zag dat God op de vijfde dag het gevogelte geschapen had, inclusief kant en klare kippen. Onmogelijk probleem opgelost door een wonder.

Maar als moderne wetenschappers weten we dat kippen niet zomaar uit de hemel kwamen vallen. Eerst waren er vissen, die gingen over het land kruipen en werden amfibieën, die ontwikkelden zich tot reptielen, en sommige reptielen kregen veren, de bek werd een snavel... een kip is eigenlijk een doorgefokte hagedis (je merkt overigens dat kippen, net als hun voorouders de reptielen, eieren leggen).

Door mutaties veranderen soorten langzaam. Stel dat er 10 miljoen jaar geleden de eerste echte 100% kip uit het ei kwam. Dat was dan ook een 100% kippe-ei, gelegd door een iets minder kippige moeder die maar 99.9% kip was, maar in haar ei sloop een mutatie die het kuiken in haar ei wèl 100% kip maakte. De voorouders van de moeder pre-kip waren misschien maar 99.8% kip, verder terug had je de 70% kip (dat zou dus een reptiel geweest zijn), de 40% kip (amfibie), de 10% kip (de vis), de 1% kip (een eencellige) tot je op de 0% kip uitkomt in de oersoep. De oplossing van het raadsel is dus dat er tussen kip en "geen kip" een hele wereld zit van halve kippen, kwart kippen enzovoorts. En ook zie je dat (door hoe mutaties werken) het 100%-ei er eerder was dan de 100%-kip. Als je dus nog eens gevraagd wordt wat nou eerder kwam, de kip of het ei, weet je nu dus het antwoord. Het ei kwam vóór de kip.

Het probleem van mijn collega was dus eenvoudig op te lossen: je maakt een slordige 'alignment', want dat kan ook zonder fylogenetische boom (dat wordt waarschijnlijk een alignment van 10% tot 20% kwaliteit). Dan maak je met behulp daarvan een fylogenetische boom. Die gebruik je weer om een betere alignment te maken (30-40%). Die zet je weer om in een fylogenetische boom, en in de volgende ronde is de alignment dan ineens 60%. Hoewel je waarschijnlijk geen 100.0000% alignment kunt bereiken, lukt 90% of 95% vast wel. En dat is voor praktische toepassingen een mooi resultaat*. (*voor de kritische jonge wetenschappers onder mijn lezers: normaal zou je een paar verschillende begin-'alignments' maken - als die na een aantal keren bomen maken allemaal op dezelfde 95%-boom uitkomen weet je dan dat je methode goed werkt, of juist niet, dan moet je gewoon zoveel mogelijk begin-alignments maken en de beste uiteindelijke boom uitzoeken, net zoals je van een alle schoenen in de winkel ook het paar koopt dat het beste staat of het lekkerste zit)

Of mijn collega die 'evoluerende' oplossing uiteindelijk ook heeft toegepast weet ik niet. Ze is naar Engeland verhuisd, en ik heb haar proefschrift nog niet gekregen. Maar om de een of andere reden heeft ze het nooit meer tegenover mij gehad over onmogelijke problemen. In elk geval weet je nu hoe het kan dat er kippen bestaan, en dat onmogelijke problemen vaak niet zo 'onmogelijk' zijn als je een beetje flexibel nadenkt. Pok!

donderdag 16 april 2009

EWL Donderdag 16 april 2009 - de begrafenis

Vandaag niet veel gewerkt - eerst nette kleren pakken en trein nemen naar Hilversum, toen condoleance, rouwdienst en begrafenis tante Jopie, toen thuis gesprek met familie: moeder, zus, Ron, tante en oom. In restaurant gegeten, toen spullen gepakt om weer naar Leiden te gaan. Heb wel in trein veel kunnen lezen, boek "How to make your dreams come true" en "energie survival gids" nu uit.

Dat is een nogal droge opsomming, en als je je afvraagt waarom dat zo is: het is een dagboek ('diary') in plaats van een (lab)journaal ('journal'). Gewone dagboeken zijn doorgaans ontzettend saai omdat het "ego-documenten zijn" - ze vertellen alleen de banale aspecten van het leven; niet de doelen die erachter zitten en de gevoelens en mijn ideeën en observaties (ik heb verteld wat ik gedaan heb, niet wat ik gezien of gehoord of gedacht heb).

De begrafenis van tante Jopie - waarom willen mensen afscheid nemen? Misschien om de banden met familie weer aan te halen, misschien is gedeelde smart halve smart? Conclusies uit bezoek tante en oom? Mijn oom lijkt meer energie te hebben dan hij in zijn pensionering kwijt kan. Hoe kan je omgaan met extra energie? Tenslotte: "how to make your dreams come true" was een leuk boek, maar ik betwijfel of de methode van doelen zetten die erin beschreven wordt zo ontzettend goed is. Maar wat zou dan beter werken? De positieve boodschap van de "energie survival gids" lijkt in elk geval te zijn dat we technologisch zonder veel problemen kunnen overschakelen op milieuvriendelijke(r) energie. De kunst voorlopig is de mensen te motiveren te veranderen.

Zo... dat is al een verschil, en als ik echt een 'journaal' zou maken (niet op internet, dat zou moeilijk waar èn openbaar correct te houden zijn) zouden er nog meer en misschien interessantere dingen in staan. Misschien dat ik volgende week weer eens gaan 'journallen', maar laat je dat er niet van weerhouden om (als je het nog niet doet) eens als experiment een observaties/gedachten/gevoelens/vragen-"labjournaal" uit te proberen.

woensdag 15 april 2009

De vakgroep (7/7) - de analist

Schijn kan bedriegen. Mijn vader had in zijn laboratorium een groot aantal analisten - sommige van HBO-niveau, de meeste opgeleid op MBO-niveau, die deden de eenvoudigste analyses. Mijn beeld van analisten werd daardoor dat ze doorgaans aardige mensen waren, maar vaak geen erg hoge opleiding hadden en vooral werden ingeschakeld voor routinewerk. Op de universiteit werd ik de eerste tijd ook niet veel wijzer; de meeste analisten hebben niet (zoals wetenschappers!) de gewoonte op te scheppen over hun publicaties, en dringen zich niet op de voorgrond. Ze doen hun werk onopvallend, secuur, en rustig.

Ik was dan ook erg verbaasd toen ik op een dag de post van de vakgroep aan het uitdelen was, en een brief vond geadresseerd aan Dr.... En de achternaam die op envelop stond was niet die van onze professor, van onze docenten of zelfs van één van onze postdocs, maar van een analist! Die analist was dus verder in de wetenschap dan ik!

De moraal van dit verhaal is niet zozeer dat ook ik weleens oogkleppen opheb, maar meer dat universitaire analisten heel andere mensen zijn dan de analisten die op het laboratorium van mijn vader werkten. Op de universiteit zijn de analisten vaak juist de mensen die de boel draaiende houden en krachtig doch subtiel dingen organiseren. Niemand weet zoveel van experimentele technieken af als een doorgewinterde analist, en promovendi doen er doorgaans goed aan om hun eventuele pretenties ten opzichte van analisten te laten varen en heel goed te luisteren naar wat ze te vertellen hebben, dat kan waardevoller zijn dan de instructie van de professor zelf.

En in tegenstelling tot de apotheek hebben universitaire analisten veel meer vrijheid - dat moet ook wel, als je nieuwe dingen aan het doen bent moet je wel zelfstandig kunnen denken, anders houdt je officiële leidinggevende geen tijd meer over.

Nu zijn de meeste analisten niet gepromoveerd - dat hoeft ook niet om goed te zijn in hun vak. Vaak komen ze van het HLO (hogere laboratoriumschool), de HBO-variant van een scheikunde- of biologiestudie. Sommigen krijgen de smaak van onderzoek te pakken en promoveren, en brengen het uiteindelijk zelfs tot universitair docent of hoogleraar (ik ken zowel een UD als een hoogleraar die als analist zijn begonnen, het komt vaker voor dan je zou denken). Maar de meeste analisten blijven gewoon analist - en soms besluiten zelfs gepromoveerde wetenschappers analist te worden inplaats van postdoc! En hoewel dat in mijn familie vreemd zou worden gevonden (mijn vader en twee van zijn drie broers hebben zich omhoog geworsteld tot hoofd van de hierarchie waarin ze zich bevonden) is dat niet een erg rare keus.

Het leven van een wetenschapper, zeker van een beginnend wetenschapper, is, als niet zwaar, dan zeker tijdrovend en stressvol. Je weet doorgaans niet of je over twee jaar je baan nog hebt. Er zijn honderden concurrenten die op je positie azen. 60- of 70-urige werkweken lijken noodzakelijk om ooit het paradijs van het professorschap te bereiken. Als je wetenschap niet ontzettend leuk vindt, brand je door. Mensen die analisten worden en blijven zijn vaak mensen die wetenschap leuk vinden, maar ook andere hobbies hebben. Of een gezin waar ze tijd aan willen besteden. Of een sociaal leven. Als analist heb je meestal een vaste baan. Je kunt parttime werken. Je hoeft niet te stressen (of in elk geval minder) te stressen voor artikel- en conferentiedeadlines omdat je doorgaans alleen helpt met onderzoek, en de AIOs en postdocs met wie je werkt die reputatie veel harder nodig hebben. Je hebt misschien niet de officiële status van een wetenschapper, maar je hebt veel minder stress, en kunt 's avonds de krant lezen, je kinderen knuffelen of andere leuke dingen doen. Nu heb ik niet de illusie dat het leven van een analist een paradijs is, maar ik kan me goed voorstellen dat gepromoveerden ervoor kiezen om analist te worden, en dat veel analisten ervoor kiezen om analist te blijven.

En, hoewel het misschien raar klinkt voor een nogal status-gevoelige instelling als een universiteit, denk ik dat het goed is dat er analisten zijn. Allereerst is het nuttig dat er mensen zijn die zich tot experts ontwikkelen in experimentele technieken - de gemiddelde wetenschapper kan hoogstens acht tot tien jaar experimenten doen voordat hij of zij moet gaan managen en onderzoeksvoorstellen schrijven. Hoewel het een open deur lijkt, zijn er altijd mensen nodig die iets kunnen demonstreren of uitvoeren. Als de gemiddelde professor een experiment zou proberen op te zetten, zou het waarschijnlijk op een ramp uitlopen. Ten tweede spelen analisten (in elk geval op onze vakgroep) een belangrijke rol in het sociale gebeuren; zij zijn vaak de mensen die tijd vrij kunnen maken om vakgroepsfeesten te organiseren of mee te helpen met de organisatie. De meeste wetenschappers lijken daar door deadlines nauwelijks tijd voor te kunnen vrijmaken. Tenslotte zijn analisten vaak de meest wijze mensen in een vakgroep. Vaak hebben ze vele promovendi en postdocs (en soms zelfs professoren) zien komen en gaan. Tussen dravende wetenschappers door slagen analisten er vaak wel in hun hoofd koel te houden en dingen te relativeren, zoals de vuurtorens waar je je op kunt oriënteren als het stormt en het water tot over je oren slaat.

Eigenlijk lijken analisten ergens verdacht veel op het karakter Lu-Tze uit de verhalen van Terry Pratchett - een tenger mannetje met een bezem dat overal kan komen omdat iedere organisatie talloze mannetjes met bezems heeft, maar intussen onopvallend maar handig de geschiedenis in goede banen leidt. De volgende keer als je een persoon onopvallend experimenten ziet doen of klusjes uitvoeren met een vriendelijke glimlach en op een onwetenschappelijk kalme manier, bedenk dan dus dat hoe laag-hierarchisch het gedrag ook mag lijken, schijn bij analisten heel goed kan bedriegen. Houd je ogen en oren dus open - vaak kan je juist van hèn wat leren.