Beste lezer,
mijn huidige blogactiviteit is (zoals al maanden geleden gepland) overgebracht naar http://blogs.nature.com/ericwubbo. Het is gespitst op talent en talentontwikkeling (en overigens ook in het Engels, schrik niet).
Misschien tot daar,
Eric-Wubbo
zondag 11 april 2010
woensdag 24 maart 2010
Het nieuwe blog
Beste lezers,
mijn nieuwe blog is te vinden op http://thesciencetalentproject.blogspot.com/
Het gaat over mijn onderzoekingen naar wetenschappelijke uitblinkers - is het talent? Hebben ze een geheim? Wat kunnen we ervan leren?
Afijn, ik heb veel inspiratie. Misschien tot daar!
Eric-Wubbo
mijn nieuwe blog is te vinden op http://thesciencetalentproject.blogspot.com/
Het gaat over mijn onderzoekingen naar wetenschappelijke uitblinkers - is het talent? Hebben ze een geheim? Wat kunnen we ervan leren?
Afijn, ik heb veel inspiratie. Misschien tot daar!
Eric-Wubbo
zaterdag 23 januari 2010
Statusupdate
Beste lezer,
deze weken ben ik druk bezig met het voorbereiden van mijn promotie tot doctor donderdag 28 januari 2010. Daarna zullen andere schrijfprojecten (waar ik helaas nog weinig over mag zeggen) mijn meeste tijd gaan innemen. Ik zal wel een Engels blog gaan bijhouden over mijn huidige studies (de locatie zal ik tzt linken), maar ik weet niet hoe vaak ik nog deze labnotities blog zal updaten.
Dit blog zal waarschijnlijk blijven bestaan zolang blogspot het niet weghaalt; en het zou kunnen dat ik het ooit weer ga updaten als mijn andere schrijfactiviteiten minder tijd gaan vragen. Maar voorlopig zullen de Labnotities vooral handig zijn voor eventuele opdrachtgevers die mijn schrijfstijl willen evalueren en voor jonge en oude mensen met een algemene interesse voor wetenschap, van wiskunde tot psychologie.
Lezer, ik groet u. Misschien tot een volgende keer!
Eric-Wubbo
deze weken ben ik druk bezig met het voorbereiden van mijn promotie tot doctor donderdag 28 januari 2010. Daarna zullen andere schrijfprojecten (waar ik helaas nog weinig over mag zeggen) mijn meeste tijd gaan innemen. Ik zal wel een Engels blog gaan bijhouden over mijn huidige studies (de locatie zal ik tzt linken), maar ik weet niet hoe vaak ik nog deze labnotities blog zal updaten.
Dit blog zal waarschijnlijk blijven bestaan zolang blogspot het niet weghaalt; en het zou kunnen dat ik het ooit weer ga updaten als mijn andere schrijfactiviteiten minder tijd gaan vragen. Maar voorlopig zullen de Labnotities vooral handig zijn voor eventuele opdrachtgevers die mijn schrijfstijl willen evalueren en voor jonge en oude mensen met een algemene interesse voor wetenschap, van wiskunde tot psychologie.
Lezer, ik groet u. Misschien tot een volgende keer!
Eric-Wubbo
donderdag 20 augustus 2009
De vraag achter de vraag
Een paar jaar geleden zat ik op een mooie zondagmorgen in de trein van Leiden naar Rotterdam om de dierentuin daar te bezoeken. Toen schoot ineens een oudere dame me aan, en vroeg me of ik student was. Ik was toen AIO, dus ik zei nee, en de vrouw hobbelde weg. Toch bleef ik nog even nadenken over waarom ze de vraag had gesteld; wáárom zou een onbekende vrouw me vragen naar mijn educatieve status? Tot de passagier schuin tegenover me zei: "Ze wilde weten of je een kortingskaart had, dan kan ze goedkoper meereizen."
Toen mijn vader naast zijn baan als ziekenhuisapotheker één ochtend per week lesgaf aan een hogeschool in Amsterdam, en daar dus ook tentamens voor moest bedenken, benadrukte hij altijd dat de meeste van zijn studenten wel de vragen probeerden te beantwoorden, maar dat hij juist wilde dat ze nadachten over de vraag achter de vraag: waarom was de vraag gesteld? Als iemand je bijvoorbeeld vraagt bij welke dierenwinkel hij terecht kan voor puppies, kun je ook verwijzen naar een kennis van jou wiens hond juist een nest jonkies heeft gekregen. De vraag is weliswaar naar waar de dierenwinkel is, maar de vraag achter de vraag (of het verlangen achter de vraag) is: "Ik wil een hond", net zoals het verlangen achter de vraag van de vrouw in de trein was "ik wil geen boete krijgen omdat ik geen voordeelurenkaart bij me heb maar wel een goedkoop kaartje heb gekocht."
In de vorige aflevering had ik het over doelen, en dat het meestal zo moeilijk is tussen verschillende huizen, jongens of banen te kiezen omdat ze vaak moeilijk vergelijkbaar waren. Bij het ontwerpen van geneesmiddelen is het zo mogelijk nòg erger: een nieuw geneesmiddel moet goed oplosbaar zijn in water, het moet opgenomen kunnen worden door het lichaam, het mag niet te snel worden afgebroken door de lever, of uitgescheiden worden via de urine, het mag niet giftig zijn en het moet ook nog werken! Er zijn dus meerdere doelen, waar allemaal aan moet worden voldaan.
Nu hebben wetenschappers daar een methode voor ontwikkeld, die met een hippe Engelse term "multiple objective optimization" wordt genoemd, ofwel MOO. In het Nederlands betekent het natuurlijk gewoon "meerdere doelen optimaliseren". Optimaliseren is dan weer een complex woord dat betekent dat je de beste mogelijkheid wil vinden. Als je zegt "ik wil een optimaal salaris", is dat gewoon een onschuldig klinkende versie van "ik wil een zo hoog mogelijk salaris".
Het probleem met MOO is dat (net als in het dagelijks leven) het streven naar één doel het streven naar andere doelen kan tegenwerken. Zelfs voor de aantrekkelijkste man op aarde is het ontzettend moeilijk een vriendin te krijgen die professioneel fotomodel is, een doctorstitel heeft in de theoretische wiskunde, een eigen bedrijf heeft met duizenden werknemers en een miljardenomzet, nummer 1 op de wereld-tennisranglijst is en altijd zijn eten klaar heeft staan als hij na een lange, vermoeiende dag thuis komt. Geen enkele vrouw heeft zoveel tijd in de dag om in al die dingen uit te blinken.
Bij het ontwerpen van een geneesmiddel heb je vaak zulke problemen: soms heb je een stof die goed werkt in een reageerbuisje, maar niet door de darmen kan komen. Of een stof die wel door de darmen heenkan, maar te snel afgebroken wordt door de lever. En als je een stof aanpast (bijvoorbeeld, een paar atomen te vervangen zodat de stof minder giftig wordt) zie je vaak dat andere eigenschappen dan weer slechter worden, het werkt dan bijvoorbeeld minder sterk. Het is net als een deken die te heet gewassen is en daardoor te klein is geworden: als je het ding over je bovenlichaam trekt, worden je voeten koud, stop je je voeten onder de deken, dan is je romp weer onbedekt.
Als je verschillende potentiële geneesmiddelen met elkaar gaat vergelijken krijg je dus een grafiek als deze
In de grafiek hierboven wil je minimale waarden hebben van twee functies (als het meer functies zijn, wordt het een drie-vier-vijf of zes-dimensionele afbeelding, afhankelijk van het aantal functies). Laten we in dit geval zeggen dat de X-as aangeeft hoe giftig een stof is, en de Y-as aangeeft hoe snel de stof wordt afgebroken door de lever. De stoffen rechts boven de rode lijn kun je weggooien: er zijn stoffen (namelijk, de donkerder gekleurde vakjes op de rode lijn) die zowel minder giftig zijn als minder snel afgebroken worden. Maar zelfs als je die stoffen weggooit, moet je nog steeds kiezen uit de negen andere stoffen. A is bijvoorbeeld minder giftig dan B, maar wordt wel sneller afgebroken. Maar B wordt weer langzamer afgebroken (wat goed is), maar is giftiger dan A (wat slecht is!) Wat erger is: in echt onderzoek heb je geen negen verschillende stoffen, maar honderden of duizenden verschillende stoffen die allemaal 'even goed' zijn. Hoe kun je dàn nog kiezen?
Sommige onderzoekers nemen dan gewoon de middelste stof. Anderen vermenigvuldigen de waarde van de ene eigenschap met één bepaald getal, en tellen dat op bij de waarde van de andere eigenschap (de waarde die wordt gekozen is er doorgaans een die de wetenschapper min of meer op zijn gevoel kiest). Maar hoe meer stoffen er zijn, en op hoe meer doelen je let, hoe moeilijker dat wordt. Hoe kun je een ècht goede beslissing nemen inplaats van maar wat te gokken? Dat kan alleen door terug te gaan naar, de vraag achter de vraag.
In het echte leven is de vraag achter de vraag helaas vaak ingewikkeld en abstract als het dieper gaat dan vrouwen die vragen of je student bent, of mensen met 'boekenclub'-T-shirts die op het station staan en je vragen of je weleens boeken leest (dat is eigenlijk natuurlijk irrelevant voor ze, wat hun betreft mag je hun boeken kopen zonder dat je er een letter van leest, je moet ze alleen kopen. De vraag achter de vraag is gewoon: "Zou u verplicht elke maand een laag-kwalitatief boek uit ons assortiment willen kopen?" Maar daar zouden mensen waarschijnlijk eerder 'nee' tegen zeggen). Ik bedoel, voor de belangrijke vragen (zoals: welke partner moet ik nemen) heb je vaak een antwoord dat je af kan leiden uit de biologie (namelijk: bij welke partner hebben mijn genen zich over honderd jaar optimaal verspreid), maar zo'n antwoord is vaak veel te complex om te berekenen en er zijn teveel onbekenden om gemakkelijk een keuze te maken bij bijvoorbeeld speeddating.
Gelukkig is het bij geneesmiddelontwikkeling makkelijker. De vraag achter de vraag is: welke van deze stoffen heeft de grootste kans een winstgevend geneesmiddel te worden? Al de doelen die ik boven heb genoemd (oplosbaarheid, werkzaamheid, veiligheid, enzovoorts) dienen alleen maar om het geneesmiddel zo goed mogelijk te maken. Natuurlijk is het een uitdaging om al die verschillende gegevens te verenigen in één model, maar als je het uiteindelijke doel voor ogen houdt kun je iets veel beters krijgen dan gewoon alles optellen en hopen dat het hoogste of het laagste getal het beste is.
Bij geneesmiddelontwerp zou je bijvoorbeeld kunnen onderzoeken als de oplosbaarheid van een molecuul laag is: hoeveel geneesmiddel-kandidaten met zo'n lage oplosbaarheid hebben het gered? En hoeveel hebben het niet gered? Werkzaamheid versus veiligheid kun je combineren als gegevens over hoe erg de bijwerkingen mogen zijn ten opzichte van de genezing van de kwaal (haaruitval is acceptabel bij een middel tegen kanker, maar niet bij een middel tegen verkoudheid). Kortom, als je het uiteindelijke doel, dat je een goed geneesmiddel wilt ontwikkelen, in de gaten houdt, kun je ineens wèl keuzes maken.
In het dagelijks leven zal het niet altijd zo gemakkelijk zijn te kiezen tussen banen, huizen, en dates. Maar dat kiezen soms moeilijk is moet ons niet verleiden dan maar 'makkelijke' keuzes te maken tussen vergelijkbare dingen, zoals beschreven in mijn vorige stuk. Immers, die makkelijke keuzes zijn lang niet altijd de beste keuzes. Een keuze tussen aardbeienijs en vanilleijs is niet iets om je het hoofd over te breken. Maar als je een ècht belangrijke keuze hebt, kan het zeker geen kwaad eens na te denken over ... de vraag achter de vraag.
Toen mijn vader naast zijn baan als ziekenhuisapotheker één ochtend per week lesgaf aan een hogeschool in Amsterdam, en daar dus ook tentamens voor moest bedenken, benadrukte hij altijd dat de meeste van zijn studenten wel de vragen probeerden te beantwoorden, maar dat hij juist wilde dat ze nadachten over de vraag achter de vraag: waarom was de vraag gesteld? Als iemand je bijvoorbeeld vraagt bij welke dierenwinkel hij terecht kan voor puppies, kun je ook verwijzen naar een kennis van jou wiens hond juist een nest jonkies heeft gekregen. De vraag is weliswaar naar waar de dierenwinkel is, maar de vraag achter de vraag (of het verlangen achter de vraag) is: "Ik wil een hond", net zoals het verlangen achter de vraag van de vrouw in de trein was "ik wil geen boete krijgen omdat ik geen voordeelurenkaart bij me heb maar wel een goedkoop kaartje heb gekocht."
In de vorige aflevering had ik het over doelen, en dat het meestal zo moeilijk is tussen verschillende huizen, jongens of banen te kiezen omdat ze vaak moeilijk vergelijkbaar waren. Bij het ontwerpen van geneesmiddelen is het zo mogelijk nòg erger: een nieuw geneesmiddel moet goed oplosbaar zijn in water, het moet opgenomen kunnen worden door het lichaam, het mag niet te snel worden afgebroken door de lever, of uitgescheiden worden via de urine, het mag niet giftig zijn en het moet ook nog werken! Er zijn dus meerdere doelen, waar allemaal aan moet worden voldaan.
Nu hebben wetenschappers daar een methode voor ontwikkeld, die met een hippe Engelse term "multiple objective optimization" wordt genoemd, ofwel MOO. In het Nederlands betekent het natuurlijk gewoon "meerdere doelen optimaliseren". Optimaliseren is dan weer een complex woord dat betekent dat je de beste mogelijkheid wil vinden. Als je zegt "ik wil een optimaal salaris", is dat gewoon een onschuldig klinkende versie van "ik wil een zo hoog mogelijk salaris".
Het probleem met MOO is dat (net als in het dagelijks leven) het streven naar één doel het streven naar andere doelen kan tegenwerken. Zelfs voor de aantrekkelijkste man op aarde is het ontzettend moeilijk een vriendin te krijgen die professioneel fotomodel is, een doctorstitel heeft in de theoretische wiskunde, een eigen bedrijf heeft met duizenden werknemers en een miljardenomzet, nummer 1 op de wereld-tennisranglijst is en altijd zijn eten klaar heeft staan als hij na een lange, vermoeiende dag thuis komt. Geen enkele vrouw heeft zoveel tijd in de dag om in al die dingen uit te blinken.
Bij het ontwerpen van een geneesmiddel heb je vaak zulke problemen: soms heb je een stof die goed werkt in een reageerbuisje, maar niet door de darmen kan komen. Of een stof die wel door de darmen heenkan, maar te snel afgebroken wordt door de lever. En als je een stof aanpast (bijvoorbeeld, een paar atomen te vervangen zodat de stof minder giftig wordt) zie je vaak dat andere eigenschappen dan weer slechter worden, het werkt dan bijvoorbeeld minder sterk. Het is net als een deken die te heet gewassen is en daardoor te klein is geworden: als je het ding over je bovenlichaam trekt, worden je voeten koud, stop je je voeten onder de deken, dan is je romp weer onbedekt.
Als je verschillende potentiële geneesmiddelen met elkaar gaat vergelijken krijg je dus een grafiek als deze
In de grafiek hierboven wil je minimale waarden hebben van twee functies (als het meer functies zijn, wordt het een drie-vier-vijf of zes-dimensionele afbeelding, afhankelijk van het aantal functies). Laten we in dit geval zeggen dat de X-as aangeeft hoe giftig een stof is, en de Y-as aangeeft hoe snel de stof wordt afgebroken door de lever. De stoffen rechts boven de rode lijn kun je weggooien: er zijn stoffen (namelijk, de donkerder gekleurde vakjes op de rode lijn) die zowel minder giftig zijn als minder snel afgebroken worden. Maar zelfs als je die stoffen weggooit, moet je nog steeds kiezen uit de negen andere stoffen. A is bijvoorbeeld minder giftig dan B, maar wordt wel sneller afgebroken. Maar B wordt weer langzamer afgebroken (wat goed is), maar is giftiger dan A (wat slecht is!) Wat erger is: in echt onderzoek heb je geen negen verschillende stoffen, maar honderden of duizenden verschillende stoffen die allemaal 'even goed' zijn. Hoe kun je dàn nog kiezen?Sommige onderzoekers nemen dan gewoon de middelste stof. Anderen vermenigvuldigen de waarde van de ene eigenschap met één bepaald getal, en tellen dat op bij de waarde van de andere eigenschap (de waarde die wordt gekozen is er doorgaans een die de wetenschapper min of meer op zijn gevoel kiest). Maar hoe meer stoffen er zijn, en op hoe meer doelen je let, hoe moeilijker dat wordt. Hoe kun je een ècht goede beslissing nemen inplaats van maar wat te gokken? Dat kan alleen door terug te gaan naar, de vraag achter de vraag.
In het echte leven is de vraag achter de vraag helaas vaak ingewikkeld en abstract als het dieper gaat dan vrouwen die vragen of je student bent, of mensen met 'boekenclub'-T-shirts die op het station staan en je vragen of je weleens boeken leest (dat is eigenlijk natuurlijk irrelevant voor ze, wat hun betreft mag je hun boeken kopen zonder dat je er een letter van leest, je moet ze alleen kopen. De vraag achter de vraag is gewoon: "Zou u verplicht elke maand een laag-kwalitatief boek uit ons assortiment willen kopen?" Maar daar zouden mensen waarschijnlijk eerder 'nee' tegen zeggen). Ik bedoel, voor de belangrijke vragen (zoals: welke partner moet ik nemen) heb je vaak een antwoord dat je af kan leiden uit de biologie (namelijk: bij welke partner hebben mijn genen zich over honderd jaar optimaal verspreid), maar zo'n antwoord is vaak veel te complex om te berekenen en er zijn teveel onbekenden om gemakkelijk een keuze te maken bij bijvoorbeeld speeddating.
Gelukkig is het bij geneesmiddelontwikkeling makkelijker. De vraag achter de vraag is: welke van deze stoffen heeft de grootste kans een winstgevend geneesmiddel te worden? Al de doelen die ik boven heb genoemd (oplosbaarheid, werkzaamheid, veiligheid, enzovoorts) dienen alleen maar om het geneesmiddel zo goed mogelijk te maken. Natuurlijk is het een uitdaging om al die verschillende gegevens te verenigen in één model, maar als je het uiteindelijke doel voor ogen houdt kun je iets veel beters krijgen dan gewoon alles optellen en hopen dat het hoogste of het laagste getal het beste is.
Bij geneesmiddelontwerp zou je bijvoorbeeld kunnen onderzoeken als de oplosbaarheid van een molecuul laag is: hoeveel geneesmiddel-kandidaten met zo'n lage oplosbaarheid hebben het gered? En hoeveel hebben het niet gered? Werkzaamheid versus veiligheid kun je combineren als gegevens over hoe erg de bijwerkingen mogen zijn ten opzichte van de genezing van de kwaal (haaruitval is acceptabel bij een middel tegen kanker, maar niet bij een middel tegen verkoudheid). Kortom, als je het uiteindelijke doel, dat je een goed geneesmiddel wilt ontwikkelen, in de gaten houdt, kun je ineens wèl keuzes maken.
In het dagelijks leven zal het niet altijd zo gemakkelijk zijn te kiezen tussen banen, huizen, en dates. Maar dat kiezen soms moeilijk is moet ons niet verleiden dan maar 'makkelijke' keuzes te maken tussen vergelijkbare dingen, zoals beschreven in mijn vorige stuk. Immers, die makkelijke keuzes zijn lang niet altijd de beste keuzes. Een keuze tussen aardbeienijs en vanilleijs is niet iets om je het hoofd over te breken. Maar als je een ècht belangrijke keuze hebt, kan het zeker geen kwaad eens na te denken over ... de vraag achter de vraag.
woensdag 19 augustus 2009
Zoek een lelijke vriendin

Je zou denken dat kiezen fantastisch is. Een van de grootste voordelen die mensen noemen van een democratie tegenover een dictatuur is dat mensen vrijheid hebben: als we willen, kunnen we kiezen een demonstratie te houden tegen de regering, of kiezen op feestjes een andere mening te verkondigen dan die van generaal X, die laatst de macht gegrepen heeft. We hebben geen kastes die, zoals vroeger in India, bepaalden wat voor beroepen je wel of niet mag uitoefenen. Discriminatie op grond van geslacht is verboden, je kan als man verpleger worden, en als vrouw minister-president!
Het akelige is dat kiezen in werkelijkheid niet altijd leuk is, want het is moeilijk. Hoewel sommige mensen gemakkelijk door het leven gaan en gewoon dingen kiezen die 'goed genoeg' zijn, zijn er ook mensen die in bepaalde gebieden van hun leven 'optimaliseerders' zijn - ze willen de leukste carrière, de meest geschikte partner, het perfecte huis. En hoe meer keuzes ze hebben, des te wanhopiger ze worden.
Dat komt omdat kiezen vaak moeilijk is omdat zoveel factoren een rol spelen in de keuze. Bijvoorbeeld: de ene baan betaalt meer geld, maar is saaier. Een andere baan betaalt minder geld, maar laat je vaker naar het buitenland reizen. Een derde baan betaalt evenveel geld als de tweede, maar je kunt gemakkelijker promotie maken. Een vierde baan... Je kunt geld met geld vergelijken, reizen met reizen, en promotie met promotie. Maar geld met promotie? Geld met reizen? Reizen met promotie? Het is als het vergelijken van appels met peren. Je KUNT ze niet echt vergelijken. De meeste mensen zijn dan ook wanhopig bewust of onbewust op zoek naar dingen die het kiezen eenvoudiger maken.
Gelukkig hebben die mensen nu hulp van de psycholoog Dan Ariely. Professor Ariely onderzoekt het gedrag van mensen (en vooral hoe mensen keuzes maken) en beschrijft in zijn boek "Predictably Irrational" ('voorspelbaar irrationeel') hoe hij experimenten uitvoerde waaruit een interessante voorkeur van mensen bleek als ze iets moesten kiezen: ze kozen de beste uit de mogelijkheden die het meest op elkaar leken en daarom het gemakkelijkst te vergelijken waren.
Dat betekent dat als iemand met zijn makelaar verschillende huizen bezoekt, bijvoorbeeld een rijtjeshuis en een appartement, zijn uiteindelijke keus afhangt van het derde huis wat bezocht wordt. Als dat een iets onaantrekkelijker rijtjeshuis is, is het voor de koper veel gemakkelijker de keuze te maken tussen de twee verschillende rijtjeshuizen dan tussen een rijtjeshuis en een appartement. Hij kiest dus de gemakkelijkste vergelijking, en gaat dus voor het eerder getoonde en betere rijtjeshuis. Maar als de makelaar de koper naar een iets lelijker appartement leidt, geeft diezelfde koper waarschijnlijk de voorkeur aan het appartement, omdat hij de appartementen gemakkelijker met elkaar kan vergelijken en er daarom de voorkeur aan geeft.
Als je het raar vindt dat een huis dat niet gekozen wordt invloed heeft op welke van de twee andere huizen wèl gekozen wordt, heb je helemaal gelijk! Maar mensen blijken nou eenmaal zo te kiezen. Ariely toonde dat ook aan in een ander experiment, niet met huizen, maar met foto's van potentiële dates. Hij nam foto's van de studenten op MIT, en koos de mooiere eruit (de jonge George Clooneys en Brad Pitts) en de lelijkere (de toekomstige Woody Allens en Danny De Vito's). Als studentes moesten kiezen tussen George en Woody hadden ze het gemakkelijk. Maar hoe te kiezen tussen George en Brad? De oplossing was, de foto's van de hunks te kopiëren en de kopie te bewerken zodat je een iets lelijker George of Brad kreeg (UglyGeorge en UglyBrad). Studentes die moesten kiezen tussen George, UglyGeorge en Brad kozen vaker George (75%), maar als ze moesten kiezen tussen George, Brad en UglyBrad kozen ze in een even grote meerderheid voor Brad. Niemand koos UglyGeorge of UglyBrad, maar de aanwezigheid van de minder aantrekkelijke derde foto zorgde beïnvloedde wèl welke van de twee andere foto's gekozen werd.
Voor studenten van Ariely was de conclusie duidelijk. Je moest vooral het uitgaansleven in met iemand die qua uiterlijk ontzettend op je leek, maar die nèt iets onaantrekkelijker was. De dochter van een van zijn collega's was razend enthousiast. "Suzan" had na enig zoeken de ideale uitgaanspartner gevonden, en merkte al snel dat jongens veel meer interesse in haar begonnen te hebben. Psychologie werkt echt!
Tenminste, als je je hersens bij elkaar houdt. Een paar weken na haar eerste enthousiaste bericht schreef Suzan prof. Ariely weer. Op een avond had ze teveel gedronken en vertelde haar nieuwe vriendin de èchte reden waarom ze haar overal mee naartoe nam. Dat verhaal eindigde niet erg goed. Zoals Ariely wijselijk schrijft in zijn boek: "Vertel je nieuwe boezemvriend(in) nooit waarom je hem of haar overal mee naartoe sleept. Je vriend kàn wel enige vermoedens hebben, maar, in hemelsnaam, elimineer nóóit alle twijfel."
dinsdag 21 juli 2009
Jokkers, leugenaars en wetenschappers

Kan liegen ooit voor een goed doel zijn? Soms wel, denk ik. Het meisje dat “ik heb al een vriend” zegt, in plaats van dat ze verklaart dat ze nooit uit zou gaan met zo'n dikzak/nerd/lelijkerd. De echtgenoot die zegt “Ik vind je nog even slank als vroeger” terwijl hij ziet dat de eens zo goed zittende kleren tot op barstens toe gespannen zijn. Leugens kunnen ons helpen onszelf blijer te maken, en anderen gelukkiger te maken. En dat is een mooie toepassing.
Maar soms is de grens tussen wat is toegestaan en wat niet is toegestaan onduidelijker, bijvoorbeeld in de wetenschap. Dat betekent niet dat je als wetenschapper data mag verzinnen en die in je artikel zetten. Het gebeurt soms, maar als mensen erachter komen is dat het einde van je carrière. En terecht: de wetenschap drijft op ware kennis, en hij kan niet goed werken als iedereen verzonnen onderzoeken zou opschrijven omdat dat sneller gaat dan een experiment doen.
Maar dat wil niet zeggen dat er geen grenzen zijn aan de eerlijkheid van wetenschappers. En het meest prominente schemergebied is de opfraaiing van de waarheid bij het aanvragen van onderzoeksgeld.
Er zijn veel wetenschappers, en ze hebben allemaal onderzoeksgeld nodig om hun eigen salaris van te betalen, promovendi mee aan te nemen, apparatuur en chemicaliën van te kopen, en congresbezoek te financieren. Dat is begrijpelijk. Er is alleen niet genoeg onderzoeksgeld voor al die wetenschappers. Dat is niet persé een natuurwet, het heeft ermee te maken dat de Nederlandse regering (net als alle regeringen ter wereld) maar een bepaald bedrag voor onderzoek uittrekt. Als dat bijvoorbeeld vijf keer zoveel zou worden, zouden alle wetenschappers in Nederland ineens een baan hebben met voldoende geld; maar de Nederlandse regering doet dat niet, allereerst omdat er ook nog andere dingen betaald moeten worden (wegen, scholen, ziekenhuizen), en ten tweede omdat als ze meer geld geven de Nederlandse professoren gewoon meer mensen zouden aannemen, ook uit het buitenland (India, China, etc.) en het geld nog steeds op zou komen en de nu veel grotere hoeveelheid wetenschappers nog steeds zou klagen over geldgebrek.
Er zijn dus veel wetenschappers, en er is weinig geld. Hoe beslis je dan als regering wie geld krijgt?
In principe zijn er twee mogelijkheden.
Òf je geeft geld aan de beste onderzoekers, de onderzoekers die fantastische onderzoeksideeën hebben, prachtig onderzoek doen en allemaal prijzen (zullen) winnen.
Òf je geeft geld aan die wetenschappers die iets nuttigs onderzoeken. Dat heeft het voordeel dat je misschien het geld terugverdient met kostenbesparende uitvindingen of betere medicijnen enzo.
Voor beide methoden valt het een en ander te zeggen. Het fundamentele onderzoek, zelfs als het niets nuttigs oplevert, is gewoon 'cool'. Zolang de regering geld geeft aan kunstenaars en sporters zou je zeker geld moeten geven aan een aantal wetenschappers, als een soort culturele bijdrage. Nuttige onderzoeken klinken ook goed: onderzoek waarvoor je (indirect) geld terugkrijgt. Dat klink economisch erg verstandig. De Nederlandse regering kiest dan ook voor allebei.
Nu heb ik geen bezwaar tegen het sponsoren van uitstekende wetenschappers. Als een beperkt aantal sporters en kunstenaars wordt betaald, zou het onrechtvaardig zijn als dat voor wetenschappers niet zou gelden. Ten tweede doen alle landen het (op misschien een paar na, maar elk westers land dat ik ken financiert wetenschappers). Ten derde zou het gevolg zijn als je het niet deed dat de beste wetenschappers naar het buitenland zouden gaan (althans meer dan nu het geval is), dat de slimste studenten die wetenschappers zouden volgen en in het buitenland carrière zouden maken. En als de meeste slimme mensen het land verlaten, is dat waarschijnlijk niet goed voor onze economie die slimme mensen nodig heeft voor nieuwe uitvindingen en het kunnen toepassen van nieuwe technologie.
Het probleem is echter bij B). Er is veel geld beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek naar bepaalde nuttige dingen. Er zijn veel wetenschappers beschikbaar als er maar geld is. Dat klinkt als een deal die voor beide partijen gunstig is. Maar dat is het niet. Het is een deal die voor tenminste één van de partijen (als niet voor beide partijen) ongunstig is. En dat is om het volgende.
Een wetenschapper wordt wetenschapper omdat hij of zij wil onderzoeken wat h/zij leuk vindt. Een wetenschapper kan wetenschapper blijven (=vaste baan aan universiteit krijgen) omdat hij of zij voldoende publicaties schrijft om beroemd te worden in zijn of haar vakgebied. Stel nou een willekeurige wetenschapper voor die is afgewezen voor de 'fantastisch onderzoek'-pot, maar die wel geld zou kunnen krijgen voor bepaald maatschappelijk relevant onderzoek. Voor die wetenschapper zijn er dan twee problemen:
a) hij vindt dat onderzoek helemaal niet leuk om te doen, en hij is geen wetenschapper geworden om saaie dingen te doen die een ander voor hem heeft uitgezocht. Dan kon hij net zo goed in het bedrijfsleven gaan werken (en een nog veel hoger salaris krijgen ook!)
b) echte maatschappelijke problemen zijn complex. Je moet met veel mensen samenwerken, veel overleggen, en je hebt vaak maar heel weinig wetenschap nodig. Omdat er weinig wetenschap in zit, kun je er nauwelijks over publiceren, wat wetenschappelijke zelfmoord is.
Natuurlijk is het geen geld kunnen krijgen óók wetenschappelijke zelfmoord. Dat is dus het dilemma van de wetenschapper.
Heel veel wetenschappers (misschien zelfs de meeste) lossen het probleem echter op de volgende manier op.
1) Ze kiezen een willekeurig maatschappelijk probleem dat hopelijk in de verste verte iets met hun onderrzoeksinteresse te maken heeft.
2) Ze schrijven een voorstel waarmee ze beargumenteren dat hun lievelingsmethode een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren aan het oplossen van het maatschappelijke probleem
3) Ze krijgen een zak geld, en ontwikkelen daarmee hun lievelingsmethode verder
4) Ze publiceren een aantal artikelen over de verbeteringen die ze hebben gemaakt in hun lievelingsmethode
5) Ze proberen op een dinsdagnamiddag de methode uit op het maatschappelijk probleem. In verreweg de meeste gevallen helpt de methode geen zier.
6) Ze schrijven de fondsengevers dat ze de methode hebben toegepast, en dat het zeker veelbelovend is, maar dat er nog veel meer geld nodig is om hem voldoende te ontwikkelen om het probleem op te lossen
7) Als ze geld krijgen, gaan ze weer naar stap 3, anders moeten ze terug naar stap 1
Nu zou ik die wetenschappers niet echt voor leugenaars willen uitmaken. Immers, er is altijd een kans (een verschrikkelijk kleine kans, maar toch een kans) dat de methode echt werkt om het probleem op te lossen. En als wetenschapper kun je toch nooit zeker zijn dat een methode werkt, daarom is het ook wetenschap. Maar intussen komt het zeven-stappenplan wel mooi tegemoet aan de noodzaak van zowel geld als publicaties.
Wat minder makkelijk te geloven is, is dat de subsidiegevers keer op keer in dat verhaal lijken te trappen. Iemand die een beetje verstand heeft van wetenschap kan redelijk goed zien wie er jokt met een onmogelijk of onpraktisch onderzoeksvoorstel, en anders zie je wel na de eerste ronde wie gewoon heeft zitten rommelen en ongerelateerde dingen heeft gedaan, en die geef je gewoon geen geld meer. Zijn subsidiegevers ècht zo dom?
Ik denk het niet. Maar we moeten niet vergeten dat de subsidiegevers òf ambtenaren zijn, òf andere wetenschappers. Als het ambtenaren zijn, weten ze dat als ze niet àl hun subsidie uitdelen, dat er volgend jaar minder geld is, en dat ze misschien ontslagen zullen worden (om minder geld uit te delen zijn minder ambtenaren nodig). Als ze wetenschappers zijn, weten ze dat als ze niet alle subsidie uitdelen, er volgend jaar minder geld is, en dat er dan minder wetenschappers kunnen werken. Bovendien kunnen ze het onredelijk vinden dat wetenschap op 'nut' wordt beoordeeld, en saboteren het systeem door een oogje dicht te knijpen als de aanvragende hoogleraar of postdoc een neus krijgt als Pinokkio.
De overheid heeft het dus moeilijk. Ze kunnen de subsidieverstrekkers niet vertrouwen, en de wetenschappers zelf al helemáál niet. Ze geven veel geld uit, maar krijgen daar bitter weinig voor terug, in elk geval veel minder dan als ze zelf wetenschappers en analisten hadden ingehuurd en die onder strenge supervisie wèl aan het probleem hadden laten werken. Maar ook de overheid doet een oogje dicht. Immers: toegeven dat hun plan mislukt staat gelijk aan falen, gezichtsverlies. Bovendien, als ze de wetenschap willen sponsoren, staat het veel beter de uitgaven als 'toegepast onderzoek' te presenteren aan de Tweede Kamer. Bovendien wordt het geld wel gebruikt om jonge wetenschappers op te leiden die later misschien wèl erg goed worden, dus het geld is niet helemaal verspild.
Toch vind ik dit systeem niet ideaal. Intelligente niet-wetenschappers kunnen het idee krijgen dat wetenschappers parasieten zijn, zelfs erger: hypocriete parasieten (wel, parasieten is een beetje waar, maar het valt in het niet bij het parasitisme van bankdirecteuren en aandelenhandelaren). Ten tweede dat wetenschap alleen maar nutteloze ivorentoren-luchtfietserij is (dat is zeker niet waar! Wetenschap kan ontzettend nuttig worden toegepast; de meeste wetenschappers zijn daar gewoon niet in geïnteresseerd, maar de kennis die wetenschappers genereren kan soms heel nuttig zijn, al gebruiken wetenschappers zelf de kennis niet. Maar anderen kunnen dat wel doen). Als wetenschappers maken we ons daar nu misschien niet al te veel zorgen over – immers, we krijgen ons geld- maar toekomstige politici kunnen in tijden van geldgebrek wel die argumenten gebruiken om wetenschappelijke subsidies verder in te krimpen. Ten tweede zullen heel wat eerlijke potentiële jonge wetenschappers door dat gekonkel een minachtig voor de wetenschap krijgen en een andere richting opzoeken. Wetenschappers moeten niet alleen naar hun korte-termijncarrière denken, maar ook aan de reputatie van de wetenschap als geheel.
Maar valt die reputatie ooit nog te repareren? Ik vrees dat dingen voorlopig nog wel zullen blijven gaan zoals ze nu gaan. Maar ik kan dromen. Ik droom van een dag waarbij de topwetenschappers net als de topkunstenaars en topsporters voldoende subsidie krijgen om alleen maar dat onderzoek te doen waar ze van dromen. En dat de rest van de wetenschappers voldoende geld krijgt om van te leven en van te werken, op voorwaarde dat ze 20 uur van de week in dienst zijn van het Rijk, om onderwijs te geven en onder supervisie van een slimme maatschappelijk betrokken directeur hun grote intelligentie en expertise zo goed als ze kunnen ter beschikking te stellen voor een ècht probleem, om een èchte oplossing te produceren. Misschien dat dan wetenschappers weer met opgeheven hoofd over straat kunnen lopen als eerlijke mensen, en dat iedereen die geen wetenschapper is dan weer beseft dat wetenschap ècht nuttig kan zijn.
donderdag 16 juli 2009
Status!
"Dus je overweegt les te gaan geven op een middelbare school?"
De uitdrukking van mijn 'date' verstrakte, en het leek alsof ze zich iets verder terugtrok in haar stoel. Dat ik ook overwoog freelance journalist te worden was nog acceptabel (misschien niet als ze had geweten wat voor inkomen daar in het begin mee verbonden is), en zelfs mijn bekentenis dat ik soms computers programmeerde (zeggen dat je een programmeur bent schijnt de slechtst mogelijke zin te zijn om een meisje mee te versieren) had haar niet al te erg van haar stuk gebracht. Maar docent ... op een school...het was alsof ik de achtig die ze eventueel nog voor mij had in een bodemloze put voelde wegzinken. Relationship material? No way...
Wie wil er nog leraar worden?
Misschien is dat een verkeerde vraag. Het is mogelijk leraar te worden om de verkeerde redenen (bijvoorbeeld omdat je de zekerheid wilt van een onderwijsaanstelling, of omdat je ontslagen bent en een baan moet zoeken en je ooit een onderwijskwalificatie hebt gehaald als 'appeltje voor de dorst'), en er zullen altijd mensen zijn die een passie voor het vak hebben, voor lesgeven en voor kinderen.
Het lijkt alsof in een ideaal systeem alleen mensen uit de tweede categorie leraar zouden worden, maar in de praktijk heb je het probleem dat niet alle mensen die leraar willen worden, ook een goede leraar zouden zijn. Volgens het (zeer leerzame) McKinsey-rapport "How the world's best performing school systems come out on top" is het belangrijkste dat docenten zelf ontzettend goede rekenvaardigheden, taalvaardigheden en sociale vaardigheden hebben (naast die passie voor onderwijs en de motivatie het zo goed mogelijk te doen). En dat is echt geen overbodige luxe: kinderen met goede docenten leren ongeveer drie keer zo snel als kinderen met slechte docenten; na drie jaar school scoren kinderen die topdocenten hebben gehad 53 percentielpunten hoger dan kinderen die beroerde docenten hebben gehad (90 vs 37). Dat is het verschil tussen VWO en VMBO!
Naast het feit dat niet alle mensen die leraar zouden willen worden leraar zouden moeten worden (of tenminste radicaal betere training zouden moeten krijgen dan nu het geval is) is het ook zo dat geen enkele docent claimt het te doen voor het salaris, maar dat er wel veel minder interesse is voor een baan als docent als het startsalaris ver onder het gemiddelde van een pas afgestudeerde in het bedrijfsleven ligt. Passie voor kinderen wordt dus waarschijnlijk wel (onbewust) afgewogen tegen een onaantrekkelijke financiële positie, en landen die startsalarissen voor docenten verhoogden tot rond het gemiddelde voor afgestudeerden krijgen ook veel meer aanmeldingen, terwijl een verdere verhoging (zeg top-start-salarissen) niet veel meer mensen werven - mensen die van lesgeven houden, komen als het salaris concurrerend is met wat ze zouden krijgen als ze iets anders zouden gaan doen. Mensen die niet van lesgeven houden, laten zich zelfs door goudgeld niet verleiden.
De internationale vergelijking door McKinsey is overigens om nog meer redenen interessant: het laat zien dat er landen zijn waar de vraag "Wie wil er leraar worden" met veel meer enthousiasme wordt beantwoord dan hier. In landen als Finland en Singapore zijn er tien tot twintig keer zoveel aanmeldingen voor de lerarenopleiding als er plaatsen zijn, de mensen die leraar worden behoren tot de top 30% of zelfs tot de top 10% van alle afgestudeerden. De slimste jongetjes en meisjes van de klas worden leraar. In Nederland klinkt dat ongelofelijk. Waarom is dat zo? Het antwoord op die vraag is bijzonder interessant.
Mijn grootvader was leraar. En dat was geen schande in het begin van de 20e eeuw: het was zelfs een eer. Om leraar te mogen worden moest mijn grootvader competitief examen doen met honderden andere kandidaten, en kwam als een van de beste (of de beste) van Noord-Nederland uit de bus. Alleen de top van de top mocht leraar worden. Er waren natuurlijk jonge mensen die naar de universiteit gingen, maar dat kon alleen als je ouders rijk waren. De meeste mensen, ook mijn overgrootvader, die politieagent was, waren arm. De enige manier om als arm jongetje hogerop te komen was het leraarschap. Zelfs een Nobelprijswinnaar als Van der Waals startte (omdat zijn ouders arm waren) als leraar, en moest zich langzaam opwerken tot onderzoeker. Onderwijzer worden was geen schande: als je leraar was, betekende dat dat je briljant was, dat alleen maar je ouders te arm waren, anders was je hoogleraar of arts of topadvocaat geworden.
Waarom is dat zo veranderd? Wel, allereerst omdat nu iedereen kan studeren, zelfs al zijn je ouders niet bijzonder rijk. De overheid houdt de collegegelden relatief laag, en verstrekt zelfs leningen met lage rente die je alleen hoeft terug te betalen als je dat kan. Een tweede ontwikkeling was dat de overheid (misschien wegens het groeiende aantal vrouwen dat leraar werd) op een gegeven moment besloot dat leraren toch niet meer de kost hoefden te verdienen - de juffen hadden toch een man (die moest werken), dus konden ze met minder salaris toe dan een normaal persoon (lees: een man), die wel geacht werd het brood op de plank te kunnen betalen voor een gezin. Het is niet verbazingwekkend (zeker gezien het onderzoek van McKinsey) dat door deze salarisverhoging het animo voor het onderwijs (vooral bij mannen) enorm kelderde.
We hadden dus de situatie waar de slimste mensen allereerst meer alternatieven kregen (ze konden studeren) en tegelijkertijd de aantrekkelijkheid van het leraarschap werd ondermijnd door te beknibbelen op salaris. De slimste mensen werden ineens geen leraar meer, leraar werd je alleen als je niets anders meer kon (zoals ik een verbitterde natuurkundedocent, meneer R. had, die niet van lesgeven en al die 'domme kinderen' hield, maar wegens omstandigheden geen baan kon krijgen als echte onderzoeker). Leraren waren losers.
Tot de dag van vandaag is het eigenlijk zo gebleven. Als een beroep eenmaal aan het devalueren is kom je in een zelf-versterkende spiraal: de leraren worden steeds dommer, wat ervoor zorgt dat de status van de leraar afneemt, wat betekent dat minder mensen leraar willen worden ('leraar- daar ben je toch te slim voor?') en vaak alleen de mensen die niet bijzonder slim zijn of geen alternatief hebben leraar worden. Net zoals topuniversiteiten zoals Cambridge en Harvard aantrekkelijk zijn voor slimme mensen omdat ze daar omringd worden door slimme mensen en het een kick geeft ervoor geselecteerd te worden omdat dat betekent dat je heel slim bent, is het onaantrekkelijk omringd te worden met domme mensen en iedereen de indruk te geven dat je nergens anders geschikt voor bent.
En door de afkalvende status komen er steeds meer mensen voor de klas die niet gekwalificeerd zijn (lerarenopleiding niet afgerond, bijvoorbeeld), wat de status van het beroep nog lager maakt, en nog meer mensen afstoot, waardoor scholen minder selectief kunnen zijn en mensen van een nog lager niveau en met nog lagere capaciteiten moeten aannemen. Zo komt het beroep in een zichzelf versterkende spiraal tot het op een soort minimum niveau komt waaronder je niet meer kan zinken.
Het is dus mogelijk om een goed werkend systeem het moeras in te draaien. De vraag nu is: is het mogelijk weer uit het moeras omhoog te komen? Er zijn gewoon dingen die we niet willen terugdraaien (zoals de subsidies voor de universiteiten zodat ook arme jongeren kunnen studeren), dus we kunnen het verleden niet exact reproduceren. Maar wat kunnen we dan wel doen?
McKinsey's rapport geeft een aantal aanbevelingen gebaseerd op hun observaties van wat internationaal werkt. Allereerst bevelen ze aan wat Nederland al een tijd geleden gedaan heeft: de startsalarissen van het onderwijs weer op één lijn brengen met de startsalarissen in andere sectoren, daarmee draaien ze gelukkig het afknijpeffect weer gedeeltelijk terug (voor de nieuwsgierigen onder jullie: over een hele carrière verdienen leraren minder dan andere mensen, omdat ze veel minder salarisverhoging krijgen. Maar als je eenmaal leraar geworden bent en het beroep leuk vindt, zijn salarisverhogingen niet zo belangrijk; beter eerst een redelijk salaris met weinig stijging dan een laag salaris met later veel stijging).
De tweede aanbeveling klinkt op het eerste gezicht onrealistisch: maak het weer moeilijk om leraar te worden. Dat klinkt absurd in een tijd waarin sommige scholen zo wanhopig zijn dat ze in staat zouden zijn elke langslopende volwassene te ontvoeren om les te laten geven. Toch is dit precies wat bijvoorbeeld in Amerika gebeurt, waar ze een programma 'teach for America' hebben. Het nodigt mensen uit voor twee jaar docent te worden in een arme wijk. Dat klinkt onaantrekkelijk. Maar... alleen de beste studenten van topuniversiteiten komen voor het programma in aanmerking. Om in het programma te komen moet je ongelofelijk goed zijn. En ineens is het leraarschap inplaats van een levenslange last een twee-jarige 'stint', die bovendien enorm goed staat op je CV (jij bent toegelaten tot Teach for America? Dat lukt maar 1 op de zoveel kandidaten! Fantastisch!) Het programma is een succes: ondanks hun relatief korte opleiding en het ontbreken van jarenlange onderwijservaring blijken de Teach-for-America-mensen bovengemiddeld goede docenten, waarschijnlijk omdat ze zo slim zijn en zo goed zijn geselecteerd. Het helpt echt als je docent een 'topper' is. En er zullen heus wat slimme jongeren blijven hangen, als ze ontdekken dat onderwijs best leuk kan zijn.
Met het lerarentekort is het voorlopig onrealistisch de algemene eisen die aan docenten worden gesteld op te schroeven. Maar een "top-programma onderwijs" dat alleen de beste afgestudeerden toelaat, zou wel een positieve impuls geven (McKinsey en de nationale denktank merken overigens op dat goede reclamecampagnes deze opvijzeling van het imago kunnen ondersteunen). En misschien, als er wat meer slimme mensen het onderwijs binnendruppelen, desnoods met status als "topleraar" dat het imago van onderwijs weer zo verbetert dat andere slimme mensen ineens minder gene voelen om leraar te worden, en dat het vak zichzelf weer langzaam uit haar moeras kan trekken.
Wie weet... misschien dat over twintig jaar een jonge man op zijn eerste date in een café zit en hij haar vertelt dat hij overweegt leraar te worden. "Zo... leraar worden? Weet je wel zeker dat je dat kan?" zal ze misschien opmerken. Maar in zichzelf zal ze denken "hij is in elk geval wel ambitieus!"
De uitdrukking van mijn 'date' verstrakte, en het leek alsof ze zich iets verder terugtrok in haar stoel. Dat ik ook overwoog freelance journalist te worden was nog acceptabel (misschien niet als ze had geweten wat voor inkomen daar in het begin mee verbonden is), en zelfs mijn bekentenis dat ik soms computers programmeerde (zeggen dat je een programmeur bent schijnt de slechtst mogelijke zin te zijn om een meisje mee te versieren) had haar niet al te erg van haar stuk gebracht. Maar docent ... op een school...het was alsof ik de achtig die ze eventueel nog voor mij had in een bodemloze put voelde wegzinken. Relationship material? No way...
Wie wil er nog leraar worden?
Misschien is dat een verkeerde vraag. Het is mogelijk leraar te worden om de verkeerde redenen (bijvoorbeeld omdat je de zekerheid wilt van een onderwijsaanstelling, of omdat je ontslagen bent en een baan moet zoeken en je ooit een onderwijskwalificatie hebt gehaald als 'appeltje voor de dorst'), en er zullen altijd mensen zijn die een passie voor het vak hebben, voor lesgeven en voor kinderen.
Het lijkt alsof in een ideaal systeem alleen mensen uit de tweede categorie leraar zouden worden, maar in de praktijk heb je het probleem dat niet alle mensen die leraar willen worden, ook een goede leraar zouden zijn. Volgens het (zeer leerzame) McKinsey-rapport "How the world's best performing school systems come out on top" is het belangrijkste dat docenten zelf ontzettend goede rekenvaardigheden, taalvaardigheden en sociale vaardigheden hebben (naast die passie voor onderwijs en de motivatie het zo goed mogelijk te doen). En dat is echt geen overbodige luxe: kinderen met goede docenten leren ongeveer drie keer zo snel als kinderen met slechte docenten; na drie jaar school scoren kinderen die topdocenten hebben gehad 53 percentielpunten hoger dan kinderen die beroerde docenten hebben gehad (90 vs 37). Dat is het verschil tussen VWO en VMBO!
Naast het feit dat niet alle mensen die leraar zouden willen worden leraar zouden moeten worden (of tenminste radicaal betere training zouden moeten krijgen dan nu het geval is) is het ook zo dat geen enkele docent claimt het te doen voor het salaris, maar dat er wel veel minder interesse is voor een baan als docent als het startsalaris ver onder het gemiddelde van een pas afgestudeerde in het bedrijfsleven ligt. Passie voor kinderen wordt dus waarschijnlijk wel (onbewust) afgewogen tegen een onaantrekkelijke financiële positie, en landen die startsalarissen voor docenten verhoogden tot rond het gemiddelde voor afgestudeerden krijgen ook veel meer aanmeldingen, terwijl een verdere verhoging (zeg top-start-salarissen) niet veel meer mensen werven - mensen die van lesgeven houden, komen als het salaris concurrerend is met wat ze zouden krijgen als ze iets anders zouden gaan doen. Mensen die niet van lesgeven houden, laten zich zelfs door goudgeld niet verleiden.
De internationale vergelijking door McKinsey is overigens om nog meer redenen interessant: het laat zien dat er landen zijn waar de vraag "Wie wil er leraar worden" met veel meer enthousiasme wordt beantwoord dan hier. In landen als Finland en Singapore zijn er tien tot twintig keer zoveel aanmeldingen voor de lerarenopleiding als er plaatsen zijn, de mensen die leraar worden behoren tot de top 30% of zelfs tot de top 10% van alle afgestudeerden. De slimste jongetjes en meisjes van de klas worden leraar. In Nederland klinkt dat ongelofelijk. Waarom is dat zo? Het antwoord op die vraag is bijzonder interessant.
Mijn grootvader was leraar. En dat was geen schande in het begin van de 20e eeuw: het was zelfs een eer. Om leraar te mogen worden moest mijn grootvader competitief examen doen met honderden andere kandidaten, en kwam als een van de beste (of de beste) van Noord-Nederland uit de bus. Alleen de top van de top mocht leraar worden. Er waren natuurlijk jonge mensen die naar de universiteit gingen, maar dat kon alleen als je ouders rijk waren. De meeste mensen, ook mijn overgrootvader, die politieagent was, waren arm. De enige manier om als arm jongetje hogerop te komen was het leraarschap. Zelfs een Nobelprijswinnaar als Van der Waals startte (omdat zijn ouders arm waren) als leraar, en moest zich langzaam opwerken tot onderzoeker. Onderwijzer worden was geen schande: als je leraar was, betekende dat dat je briljant was, dat alleen maar je ouders te arm waren, anders was je hoogleraar of arts of topadvocaat geworden.
Waarom is dat zo veranderd? Wel, allereerst omdat nu iedereen kan studeren, zelfs al zijn je ouders niet bijzonder rijk. De overheid houdt de collegegelden relatief laag, en verstrekt zelfs leningen met lage rente die je alleen hoeft terug te betalen als je dat kan. Een tweede ontwikkeling was dat de overheid (misschien wegens het groeiende aantal vrouwen dat leraar werd) op een gegeven moment besloot dat leraren toch niet meer de kost hoefden te verdienen - de juffen hadden toch een man (die moest werken), dus konden ze met minder salaris toe dan een normaal persoon (lees: een man), die wel geacht werd het brood op de plank te kunnen betalen voor een gezin. Het is niet verbazingwekkend (zeker gezien het onderzoek van McKinsey) dat door deze salarisverhoging het animo voor het onderwijs (vooral bij mannen) enorm kelderde.
We hadden dus de situatie waar de slimste mensen allereerst meer alternatieven kregen (ze konden studeren) en tegelijkertijd de aantrekkelijkheid van het leraarschap werd ondermijnd door te beknibbelen op salaris. De slimste mensen werden ineens geen leraar meer, leraar werd je alleen als je niets anders meer kon (zoals ik een verbitterde natuurkundedocent, meneer R. had, die niet van lesgeven en al die 'domme kinderen' hield, maar wegens omstandigheden geen baan kon krijgen als echte onderzoeker). Leraren waren losers.
Tot de dag van vandaag is het eigenlijk zo gebleven. Als een beroep eenmaal aan het devalueren is kom je in een zelf-versterkende spiraal: de leraren worden steeds dommer, wat ervoor zorgt dat de status van de leraar afneemt, wat betekent dat minder mensen leraar willen worden ('leraar- daar ben je toch te slim voor?') en vaak alleen de mensen die niet bijzonder slim zijn of geen alternatief hebben leraar worden. Net zoals topuniversiteiten zoals Cambridge en Harvard aantrekkelijk zijn voor slimme mensen omdat ze daar omringd worden door slimme mensen en het een kick geeft ervoor geselecteerd te worden omdat dat betekent dat je heel slim bent, is het onaantrekkelijk omringd te worden met domme mensen en iedereen de indruk te geven dat je nergens anders geschikt voor bent.
En door de afkalvende status komen er steeds meer mensen voor de klas die niet gekwalificeerd zijn (lerarenopleiding niet afgerond, bijvoorbeeld), wat de status van het beroep nog lager maakt, en nog meer mensen afstoot, waardoor scholen minder selectief kunnen zijn en mensen van een nog lager niveau en met nog lagere capaciteiten moeten aannemen. Zo komt het beroep in een zichzelf versterkende spiraal tot het op een soort minimum niveau komt waaronder je niet meer kan zinken.
Het is dus mogelijk om een goed werkend systeem het moeras in te draaien. De vraag nu is: is het mogelijk weer uit het moeras omhoog te komen? Er zijn gewoon dingen die we niet willen terugdraaien (zoals de subsidies voor de universiteiten zodat ook arme jongeren kunnen studeren), dus we kunnen het verleden niet exact reproduceren. Maar wat kunnen we dan wel doen?
McKinsey's rapport geeft een aantal aanbevelingen gebaseerd op hun observaties van wat internationaal werkt. Allereerst bevelen ze aan wat Nederland al een tijd geleden gedaan heeft: de startsalarissen van het onderwijs weer op één lijn brengen met de startsalarissen in andere sectoren, daarmee draaien ze gelukkig het afknijpeffect weer gedeeltelijk terug (voor de nieuwsgierigen onder jullie: over een hele carrière verdienen leraren minder dan andere mensen, omdat ze veel minder salarisverhoging krijgen. Maar als je eenmaal leraar geworden bent en het beroep leuk vindt, zijn salarisverhogingen niet zo belangrijk; beter eerst een redelijk salaris met weinig stijging dan een laag salaris met later veel stijging).
De tweede aanbeveling klinkt op het eerste gezicht onrealistisch: maak het weer moeilijk om leraar te worden. Dat klinkt absurd in een tijd waarin sommige scholen zo wanhopig zijn dat ze in staat zouden zijn elke langslopende volwassene te ontvoeren om les te laten geven. Toch is dit precies wat bijvoorbeeld in Amerika gebeurt, waar ze een programma 'teach for America' hebben. Het nodigt mensen uit voor twee jaar docent te worden in een arme wijk. Dat klinkt onaantrekkelijk. Maar... alleen de beste studenten van topuniversiteiten komen voor het programma in aanmerking. Om in het programma te komen moet je ongelofelijk goed zijn. En ineens is het leraarschap inplaats van een levenslange last een twee-jarige 'stint', die bovendien enorm goed staat op je CV (jij bent toegelaten tot Teach for America? Dat lukt maar 1 op de zoveel kandidaten! Fantastisch!) Het programma is een succes: ondanks hun relatief korte opleiding en het ontbreken van jarenlange onderwijservaring blijken de Teach-for-America-mensen bovengemiddeld goede docenten, waarschijnlijk omdat ze zo slim zijn en zo goed zijn geselecteerd. Het helpt echt als je docent een 'topper' is. En er zullen heus wat slimme jongeren blijven hangen, als ze ontdekken dat onderwijs best leuk kan zijn.
Met het lerarentekort is het voorlopig onrealistisch de algemene eisen die aan docenten worden gesteld op te schroeven. Maar een "top-programma onderwijs" dat alleen de beste afgestudeerden toelaat, zou wel een positieve impuls geven (McKinsey en de nationale denktank merken overigens op dat goede reclamecampagnes deze opvijzeling van het imago kunnen ondersteunen). En misschien, als er wat meer slimme mensen het onderwijs binnendruppelen, desnoods met status als "topleraar" dat het imago van onderwijs weer zo verbetert dat andere slimme mensen ineens minder gene voelen om leraar te worden, en dat het vak zichzelf weer langzaam uit haar moeras kan trekken.
Wie weet... misschien dat over twintig jaar een jonge man op zijn eerste date in een café zit en hij haar vertelt dat hij overweegt leraar te worden. "Zo... leraar worden? Weet je wel zeker dat je dat kan?" zal ze misschien opmerken. Maar in zichzelf zal ze denken "hij is in elk geval wel ambitieus!"
Abonneren op:
Posts (Atom)